Door James Zogby (vertaald)

Sinds we hebben vernomen dat tachtig procent van de mensen die zichzelf Wedergeboren Christenen noemen Donald Trump hebben gesteund op weg naar het presidentschap, loopt er een discussie over hoe die Christenen hun geloof dan wel definiëren. Onlangs is dit debat nog intenser geworden toen een nog hoger percentage van Wedergeboren Christenen in Alabama zich achter Roy More schaarde, in de senaatsverkiezingen voor die staat. Wat in deze discussie op het spel staat zijn uiterst belangrijke punten over hoe gelovigen hun christen-zijn begrijpen en in de praktijk omzetten.

Het is belangrijk op te merken dat de vraag hoe mensen hun geloof definiëren en praktisch beleven niet enkel geldt voor het Christendom. Het is een vraag die geleerden uit elke godsdienst bezig houdt.

Enkele weken geleden (het artikel dateert van 31/12/2017) was ik in Abu Dhabi om te spreken op de “2017 Global Peace Forum” (Wereldwijde Forum voor Vrede), bijeen geroepen door Zijne Eminentie Sheikh Abdullah Bin Bayyah. De Sheikh nodigt elk jaar Muslim geleerden, leiders en regeringsambtenaren voor religieuze zaken uit, samen met Christen en Joodse gasten, om de dialoog aan te gaan over onderwerpen in verband met vrede, verdraagzaamheid, gematigdheid in de godsdienst en dialoog tussen de wereldgodsdiensten.

Er werd mij gevraagd een presentatie voor te bereiden voor dit Forum over hoe Arabische Muslims hun geloof zien en wat het verband is tussen hoe zij zichzelf zien en hun gedrag in het sociale en politieke leven.

Ik heb dan wel een doctoraat in Vergelijkende Godsdiensten, maar ben tegelijk ook enquêteur en ik heb in die functie onderzoek gedaan naar attitudes, in heel het Midden-Oosten, gedurende anderhalf decennium. Dus toen ik begon aan mijn onderzoek naar hoe Arabieren denken over wat “godsdienstig zijn” betekent, bedacht ik dat we de vraag best via enquêtes konden stellen en dat de zelf-definiëring dan vanzelf uit hun antwoorden te voorschijn zou komen.

De voorbije twee jaar hebben we ons bezig gehouden met een uitgebreid onderzoek naar de houding van Arabische Muslims tegenover hun godsdienst. We keken daarbij naar hoe zij hun geloof begrijpen, hoe zij het in de praktijk brengen en hoe zij de rol van hun godsdienst zien in verhouding tot de staat en de samenleving.

Voor mijn verslag aan het Forum putte ik uit de vaststellingen van twee grote studies, waarin we vijfendertigduizend Muslimburgers van tien Arabische landen hebben ondervraagd. Voor mijn verslag aan het Forum heb ik me geconcentreerd op de resultaten van vijf landen: Egypte, Saoedi-Arabië, UAE, Tunesië en Marokko.

Wat uit de gegevens van de enquête naar voren kwam, was dat niet alle Muslims gelijk zijn. Er zijn verschillen, van land tot land, in de manier waarop ze hun geloof begrijpen en hoe ze de rol ervan in hun eigen leven en samenleving zien. Wat vooral interessant was, was de afwezigheid van echte verschillen in de algemene houding binnen dezelfde demografische groepen (leeftijd, geslacht, opleiding of inkomen). De grote verschillen die we vonden lagen in de attitude – vooral tussen hen die zichzelf “erg godsdienstig” noemden en zij die zichzelf omschreven als “matig godsdienstig” of minder. Het onderscheid tussen deze twee groepen is groot.

Zij die zeggen dat ze “erg godsdienstig” zijn, zijn meer formalistisch in hun kijk op hun geloof en houden zich ook meer aan de rituelen (we gaven ze de naam “formalisten”). Ze bidden vaker, ze gaan meer naar hun moskee, ze brengen meer tijd door met luisteren naar religieuze programma’s en het consulteren van fatwa’s. Ze zeggen ook dat ze minder tolerant staan tegenover andere geloofsovertuigingen en sektes, en dat ze moderniteit als iets negatief ervaren.

De omvang van de groep die zichzelf “erg godsdienstig” noemt varieerde van land tot land. Ze maakte de helft van de Saoedi’s uit, twee-vijfden van de Tunesiërs maar slechts een kwart van de mensen uit de Emiraten, van de Marokkanen en de Egyptenaren.

Het is ook opvallend dat de grote meerderheid van deze groep zelfverklaarde “erg godsdienstige” Muslims gelooft dat hun eigen land in de verkeerde richting evolueert. Ze zeggen te geloven dat religieuze groeperingen zich meer politiek moeten engageren en moeten proberen aan de macht te komen. En waar die religieuze groepen al regeren, ziet deze groep van zelfverklaarde “erg godsdienstige” Muslims hen als succesvol in het sterker maken van hun land en in de bescherming van de rechten van alle burgers. In het verlengde hiervan zijn deze zelfverklaarde “erg godsdienstige” Muslims merkbaar meer geneigd om de staat een grote rol te laten spelen in religieuze aangelegenheden en geloven ze in het afdwingen van een strikte versie van de Sharia. Bovendien geloven ze in belangrijke mate in het belang van het vestigen van een Kalifaat.

Tenslotte stellen we met enige bezorgdheid vast dat degenen die zeggen dat ze “erg godsdienstig” zijn iets meer dan hun landgenoten geneigd zijn om over extremistische groeperingen als IS(IS) of Al Qaeda te stellen dat ze “merendeels gelijk hebben”, terwijl ze het toch oneens zijn met sommige van hun daden.

Anderzijds is er de tweede groep die uit onze studies opdook: zij die zichzelf zien als “matig godsdienstig” of minder. Ook van deze groep varieert de omvang van land tot land. Ze maken twee-derden uit van de ondervraagden in de Emiraten, Marokko en Egypte, drie-vijfden van de Tunesiërs en de helft van alle Saoedi’s.

Deze groep zegt te bidden en naar de moskee te gaan “zo vaak ze kunnen.” Ze hebben het niet over luisteren naar religieuze programma’s of het raadplegen van fatwa’s. We noemden hen de “aanpassers”. Ze stellen ook meer tolerant te zijn tegenover andere geloofsovertuigingen en sekten, en hebben een positieve indruk van de moderne tijd.

Zelfverklaarde “matig godsdienstige” Muslims hebben heel sterk het gevoel dat hun eigen land de goede richting uit gaat. Veeleer dan strikt ritualistisch te zijn, staan zij achter het idee dat godsdienst iemand ertoe moet aanzetten een beter en meer moreel leven te leiden.

gedrag

Ze geloven in de burgerstaat en stellen dat religieuze groeperingen zich beter zouden concentreren op het bevorderen van spiritualiteit, niet op regeren. Ze zijn ook van mening dat toen religieuze groeperingen de macht hadden, ze hun land zwakker hebben gemaakt en minder effectief in het beschermen van de rechten van al hun burgers. Het is dan ook logisch dat deze “matig godsdienstige” Muslims weinig voelen voor een sterke rol voor de staat in godsdienstige aangelegenheden. En ze geloven dat de staat moet handelen “in de geest van de Sharia” of als een burgerlijke instelling.

Tenslotte is deze groep Muslims sterk geneigd om extremistische groeperingen als IS(IS) en Al Qaeda te bestempelen als “niet-Muslims” of als een “misplaatste verdraaiing van de Islam”.

Bij het opmaken van mijn verslag voor het Forum merkte ik op dat wij, als enquêteurs, niet vastlegden wat het betekent om “erg godsdienstig” te zijn. We gaven eenvoudigweg de gedeelde visies weer van hen die zichzelf als dusdanig omschreven. Indien zij die ons verslag hebben gehoord of gelezen vinden dat sommige van de ondervraagden een vals of vervormd beeld van de godsdienst hebben, dan is het aan de geleerden en aan de religieuze leiders om tegen een dergelijke stelling  in te gaan en zo de gelovigen te leiden naar andere inzichten over hun godsdienst.

 

Bron: http://www.islamicity.org/13919/defining-what-it-means-to-be-religious/

 

Advertenties