De enige taak van de Profeet (vrede en zegeningen over hem) is te zeggen wat hij moet zeggen, wanneer hij het moet zeggen – hoe gênant ook (zoals met de blinde in Surah Abasa). Wie ernaar wil luisteren, trekt er zijn lessen uit. De rest laat je rusten, je loopt ze niet bedelend achterna.

Dat moeten we ons eigen maken, zodat we niet gefrustreerd raken wanneer iemand na de zoveelste vermaning nog steeds niet verandert zoals wij het ons hadden voorgesteld. Onze eigen Profeet (vrede en zegeningen over hem) heeft niets anders gedaan dan mensen onderrichten en raad geven en toch bleef de meerderheid gewoon doen wat ze deden – behalve die enkele die met een open hart op zoek waren naar de waarheid en daarom door Allah – niet door de Profeet – werden geleid.

Waarom draaide hij zich om naar de leiders en weg van de blinde? Hij dacht hen voor de Islam te kunnen winnen. Zoals een verkoper de klant achterna gaat lopen om hem toch maar te overtuigen.
Ook daar komt Allah tussen: Kallaa! Het is waarlijk een vermaning! Het is een vermaning voor iedereen die ze hoort. Slechts enkelen zullen luisteren en voor nog minder mensen zal die aanmaning ook effectief iets betekenen.

Dit herinnert Ustadh Nouman Ali Khan aan iets wat zijn leraar Abdul Sami’ hem uitlegde toen hij negentien was:
“Je zal voor mensen moeten spreken. Er zullen honderd mensen voor je zitten (toen leek dat veel ;-p) en je zult ze een uur lang toespreken. Eén woord van alles wat je daar vertelt zal het oor van één van die mensen bereiken en net dan zal Allah zeggen: “Koen.” Daardoor zal die ene persoon zijn hele leven veranderen. Dat is niet vanwege wat je hebt gezegd, want die honderd hebben allemaal dezelfde woorden gehoord. Maar op dàt moment heeft Allah beslist het hart van die persoon te veranderen, vanwege de moeite die hij heeft gedaan om naar jou te komen luisteren.”

Allah zorgt zelf wel
dat de Boodschap vrucht draagt
bij hen die haar waardig zijn.

Mensen worden ook Muslim zonder lezingen: na een ongeval, een bezoek aan een begraafplaats, of uit colère. Ja, uit colère, zoals Hamza (mag Allah tevreden met hem zijn), de oom van Muhammad (vrede en zegeningen over hem). Hij had gehoord dat iemand zijn neef had geslagen. Hij confronteerde de man, verkocht hem een mep en zei: “Zo. En nu ben ik ook een Moslim. Wat ga je dààr aan doen?!”

In dit stuk van Surah Abasa maakt Allah duidelijk dat als de mensen niet luisteren het niet ligt aan de Boodschapper en ook niet aan de Boodschap, maar aan degene die ze hoort. Moet de Boodschapper hen daarom straffen? Martelen? Vermoorden? Neen. Gewoon getuigen. Niet aandringen. Laat ze staan. Allah zal er zich verder wel om bekommeren.

Om het beeld van de verkoper door te trekken: als er geen deal is, ligt het niet aan de Boodschapper en ook niet aan de Boodschap. Het is de klant die niet deugt. Waar bij een gewone verkoop de klant alle macht heeft om te onderhandelen en af te pingelen of zelfs weg te lopen, laat Allah hier verstaan: Het is een eer dat je die Boodschap te horen krijgt. Jij bent niets, vergeleken bij die Boodschap.

Terwijl de Boodschapper uit liefde voor zijn volk geneigd is te bedelen en aan te dringen, zegt Allah nee, deze Boodschap is te nemen of te laten. Bied ze aan. Iedereen moet ze hebben gehoord. Maar je mag noch jezelf noch de Boodschap vernederen door ermee te gaan onderhandelen en leuren, door af te pingelen op haar waarde. Deze Boodschap is zo nobel, zo verheven, zo perfect. Daar knoei je niet mee. Aanbieden op een goede manier is je enige taak. Het resultaat ligt in de handen van Allah en in het hart van de ontvanger.

Advertenties