OPEN BRIEF van de geleerden – vertaald (compleet)

Een gefundeerde weerlegging,
door Islamgeleerden,
van wat de “I.S.” beschouwt
als Islam en Jihad

Samenvatting

  1. In de Islam is het verboden om fatwa’s uit te vaardigen zonder te beschikken over alle vereisten op het vlak van kennis. Bovendien moeten zelfs dan de fatwa’s voldoen aan een rechtstheorie zoals die werd vastgelegd in de klassieke teksten. Het is eveneens verboden een deel van een Quranvers – of een stuk ervan – aan te halen om op basis daarvan een oordeel te vellen zonder alles in aanmerking te nemen wat de Qur’an en de Hadith ons over dat onderwerp leren. Met andere woorden: er zijn strikte subjectieve en objectieve vereisten voor het uitvaardigen fatwa’s en men mag niet enkele Quranverzen uitzoeken voor wettelijke argumentatie zonder de hele Qur’an en Hadith erbij te betrekken.
  2. Het is in de Islam verboden om gerechtelijke uitspraken te doen, over welk onderwerp dan ook, zonder de Arabische taal te beheersen.
  3. Het is in de Islam verboden om Shari’ah aangelegenheden al te zeer te simplificeren en daarbij de gevestigde Islamitische wetenschappen te negeren.
  4. Het is in de Islam toegestaan (voor geleerden) om van mening te verschillen, behalve over de fundamenten van de godsdienst die elke Muslim moet kennen.
  5. Het is in de Islam verboden om de hedendaagse realiteit te negeren bij het uitvaardigen van rechtsuitspraken.
  6. Het is in de Islam verboden om onschuldigen te doden.
  7. Het is in de Islam verboden om gezanten, ambassadeurs en diplomaten te vermoorden. Daarom is het ook verboden om journalisten en hulpverleners te doden.
  8. In de Islam staat Jihad voor een defensieve oorlog. Jihad is niet geoorloofd zonder een juiste reden, zonder het juiste doel en zonder de correcte gedragsregels.
  9. Het is in de Islam verboden om mensen te bestempelen als niet-Muslims, tenzij ze zelf openlijk van hun ongeloof getuigen.
  10. Het is in de Islam verboden om – op welke manier dan ook – christenen of andere “Mensen van het Boek” schade toe te brengen of te mishandelen.
  11. Het is verplicht de Yazidis te beschouwen als “Mensen van het Boek”.
  12. De herinvoering van slavernij is verboden in de Islam. Ze werd met universele consensus afgeschaft.
  13. Het is in de Islam verboden mensen te dwingen zich te bekeren.
  14. Het is in de Islam verboden om vrouwen hun rechten te ontzeggen.
  15. Het is in de Islam verboden om kinderen hun rechten te ontzeggen.
  16. Het is in de Islam verboden om gerechtelijke straffen (hudud) uit te voeren zonder daarbij de juiste procedures te volgen en gerechtigheid en barmhartigheid te garanderen.
  17. Het is in de Islam verboden mensen te martelen.
  18. Het is in de Islam verboden om doden te verminken.
  19. Het is in de Islam verboden om misdaden toe te schrijven aan God (de Verhevene, de Geprezene).
  20. Het is in de Islam verboden om de graven en gedenkplaatsen van Profeten en Gezellen te vernielen.
  21. Gewapende opstand is verboden in de Islam, tenzij omwille van het duidelijke ongeloof van de heerser en wanneer hij het volk verbiedt te bidden.
  22. Het is in de Islam verboden een Kalifaat uit te roepen zonder de consensus van alle Muslims.
  23. Trouw aan iemands land of volk is toegestaan in de Islam.
  24. Na de dood van de Profeet (vrede en zegeningen over hem) vereist de Islam van niemand nog dat hij ergens heen migreert.


 

In de Naam van God, de Barmhartige, de Genadige
Lof en Dank aan God, de Heer der Werelden
Vrede en Zegeningen over het Zegel van de Profeten en Boodschappers

 

Bij het verloop van de tijd. Waarlijk de mens verkeert in een toestand van verlies.
Behalve zij die geloofden en goede daden verrichtten
en die elkaar opriepen en aanmoedigden tot de waarheid
en die elkaar opriepen en aanmoedigden tot volharding.
(Al-‘Asr, 103:1-3)

 

Open Brief

Aan Dr. Ibrahim Awwad Al-Badri, alias ‘Abu Bakr Al-Baghdadi’,

Aan de strijders en volgelingen van de zelfverklaarde “Islamitische Staat”.

Vrede en de Genade van God zij met jullie.

Tijdens uw preek op de 6° dag van Ramadan 1435 NH (4 juli 2014 AD) parafraseerde u Abu Bakr Al-Siddiq (moge Allah tevreden zijn over hem) toen u zei: “Als jullie wat ik zeg en doe juist vinden, steun me dan. En als jullie wat ik zeg en doe fout vinden, geef me dan raad en wijs me terecht.” Wat volgt is een wetenschappelijke mening, verspreid via de media. De Profeet (vrede en zegeningen over hem) heeft gezegd: “Godsdienst is (corrigerend) advies” 1Alles wat hieronder wordt gezegd steunt volledig op de verklaringen en daden van de volgelingen van de “Islamitische Staat” zoals zij die zelf in de sociale media hebben verspreid – of op ooggetuigenverslagen van Muslims – en niet op andere media. Er is alles aan gedaan om verzinsels en misverstanden uit te sluiten. Bovendien bestaat alles wat hier wordt gezegd uit een samenvatting, geschreven in een eenvoudige stijl, van de opinies van de overweldigende meerderheid van Sunni geleerden doorheen de Islamitische geschiedenis.

In een van zijn toespraken 2 heeft Abu Muhammad Al-Adnani gezegd: “God zegene Profeet Muhammad die werd gezonden met het zwaard als een genade voor alle werelden.” 3 Deze uitspraak bevat een vermenging van foute interpretaties en een verkeerd uitgangspunt. Toch wordt ze vaak aangehaald door volgelingen van de “Islamitische Staat”. Nu, God heeft inderdaad de Profeet Muhammad (vrede en zegeningen over hem) gezonden als een genade voor alle werelden: “En Wij hebben jou slechts als een genade voor alle werelden gezonden.” (Al-Anbiya’, 21:107). Dit is waar voor alle tijden en alle plaatsen. De Profeet (vrede en zegeningen over hem) was een genade voor mens en dier, voor planten, voor de hemelen en de onzichtbare wezens. Geen Muslim die het daarmee niet eens is. Het is een algemene en onvoorwaardelijke uitspraak die uit de Qur’an zelf komt. De zinsnede “die werd gezonden met het zwaard” komt uit een Hadith die eigen is aan een bepaalde tijd en plaats – die allang voorbij zijn. Het is daarom verboden om op deze manier de Qur’an en Hadith met elkaar te vermengen, net zoals het verboden is om een algemene uitspraak te vermengen met een specifieke, en een voorwaardelijke met een onvoorwaardelijke.

Bovendien heeft God zichzelf barmhartigheid opgelegd: “(…) Jullie Heer heeft Zichzelf de Barmhartigheid voorgeschreven (…)” (Al-An’am, 6:54). God verklaart ook dat Zijn Genade alle zaken omvat: “(…) Mijn Barmhartigheid omvat alle dingen (…)” (Al-A’raf, 7:156). In een authentieke Hadith heeft de Profeet (vrede en zegeningen over hem) gezegd: “Toen God de Schepping schiep, schreef Hij op een plaats boven Zijn troon voor Zichzelf neer: ‘Waarlijk, Mijn Genade is groter dan Mijn Woede’.” 4 Daarom is het verboden om “het zwaard” – en dus woede en gestrengheid – gelijk te stellen met “genade”. Bovendien is het verboden om het denkbeeld “genade voor de werelden” ondergeschikt te maken aan “gezonden met het zwaard”, want dat zou betekenen dat de genade afhankelijk is van het zwaard, wat eenvoudigweg niet waar is. Trouwens, hoe zou een “zwaard” de werelden kunnen raken waar zwaarden geen impact hebben, zoals de hemelen, de wezens in het verborgene en de planten? Dat de Profeet Muhammad (vrede en zegeningen over hem) een genade voor alle werelden is kan onmogelijk gebonden zijn aan de voorwaarde dat hij het zwaard heeft opgenomen (op een bepaald moment in de tijd, om een precieze redenen en in een welbepaalde context). Het punt dat we hier maken is niet louter academisch. Het verwijst ons naar de essentie van veel wat hier volgt, omdat het ten onrechte het zwaard gelijk stelt met de Goddelijke Genade.

1/ Gerechtelijke theorie (usul al-fiqh) en exegese van de Qur’an: Wat betreft de Qur’anexegese, het goede begrip van Hadith en gerechtelijke theorie in het algemeen is de methodologie die God aanreikt in de Qur’an, en de Profeet (vrede en zegeningen over hem) in de Hadith, de volgende: neem alles in overweging dat ooit werd geopenbaard in verband met de betreffende vraag – alles in zijn geheel, zonder enkel af te hangen van slechts enkele delen. Dan pas wordt een oordeel geveld, door iemand met de juiste kwalificaties, op basis van alle beschikbare schriftelijke bronnen. God (de Verhevene, de Geprezene) zegt: “(…) Geloven jullie in een gedeelte van de Schrift en niet in een ander deel? (…)” (Al-Baqarah, 2:85); “(…) zij verschoven de woorden van hun plaatsen (context) en zij vergaten een deel van dat waarmee zij vermaand waren (…)” (Al-Ma’idah, 5:13); “Zij die de Qur’an hebben opgedeeld.” (Al-Hijr, 15:91). Eens alle relevante schriftpassages zijn verzameld, moet er een onderscheid worden gemaakt tussen wat “algemeen” is en wat “specifiek”, tussen wat “voorwaardelijk” is en wat “onvoorwaardelijk”. Ook moeten de “eenduidige” passages van de tekst worden onderscheiden van de meer allegorische. Bovendien moet er bovenop alle andere hermeneutische voorwaarden, die de klassieke imams hebben gespecifieerd, een goed begrip zijn van de redenen en de omstandigheden voor de openbaring (asbab al-nuzul) van alle passages en verzen. Daarom is het onmogelijk een vers aan te halen, of een deel van een vers, zonder grondig alles in overweging te nemen en te begrijpen wat de Qur’an en de Hadith over dit onderwerp te vertellen hebben. De reden hiervoor is dat alles in de Qur’an de Waarheid is en dat alles in de Hadith door God werd geïnspireerd. Het is dus niet toegestaan er ook maar iets van te negeren. Het is juist absoluut noodzakelijk om alle teksten zoveel mogelijk met elkaar te verzoenen, of om vast te stellen dat er een duidelijke reden is waarom de ene tekst het zou halen van de ander. Dat is wat Imam Shafi’i in zijn “Al-Risalah” uitlegt, in universele consensus met alle geleerden van usul. Imam al-Haramayn, Al-Jawayni, zegt in “AlBurhan fi Usul Al-Fiqh”:

Wat betreft de eigenschappen van een Moefti en de disciplines die hij moet beheersen: (…) het is onontbeerlijk dat de Moefti een geleerde is van de taal, omdat de Shari’ah in het Arabisch staat. (…) het is onontbeerlijk dat hij een geleerde is op het vlak van zinsbouw en het toegankelijk maken van de tekst. (…) het is onontbeerlijk dat hij een geleerde van de Qur’an is, omdat de Qur’an aan de basis van alle oordelen ligt. (…) Kennis van abrogatie (afschaffing) van teksten is onmisbaar en de wetenschap van de fundamenten van jurisprudentie (usul) vormt de hoeksteen van het hele onderwerp. (…) Hij moet bovendien de verschillende gradaties kennen in de bewijzen en argumenten … en ook hun verhalen. (Hij moet ook kennis hebben) van de Hadithwetenschap, opdat hij de authentieke van de zwakke kan onderscheiden en het aanvaardbare van het apocriefe. (…) (Hij moet ook kennis hebben van) jurisprudentie (…) Bovendien is het ook nodig om “gerechtelijke intuitie” te hebben (fiqh al-nafs): dat is het kapitaal van iedereen die gerechtelijke oordelen uitvaardigt. (…) Geleerden hebben dit allemaal samengevat door te zeggen dat een Moefti iemand is “die zelfstandig alle teksten en alle argumenten voor gerechtelijke oordelen kent.” Met “teksten” wordt verwezen naar het beheersen van de taal, Qur’anexegese en Hadith, terwijl “argumenten” duidt op het beheersen van de rechtstheorie, verschillende soorten analogische redenering en ook “gerechtelijke intuitie” (fiqh al-nafs)

Al-Ghazali heeft gelijkaardige zaken gezegd in Al-Mustasfa (Vol. 1, p. 342), net als Al-Suyuti in Al Itqan fi Ulum Al-Qur’an (Vol. 4, p. 213).

2/ Taal: Zoals hierboven vermeld, is een van de belangrijkste pijlers van de theorie van de rechtspraak het beheersen van de Arabische taal. Dit betekent het beheersen van Arabische grammatica, zinsbouw, morfologie, retoriek, dichtkunst, etymologie en exegese van de Qur’an. Voor wie deze disciplines niet beheerst is de kans op fouten groot, zelfs onvermijdelijk.

De afkondiging van wat u “het Kalifaat” heeft genoemd gebeurde onder de titel: “Dit is Gods belofte.” De persoon die deze verklaring heeft opgesteld wilde hiermee verwijzen naar het vers: “God heeft degenen onder jullie die geloven en goede werken verrichten beloofd dat Hij hen zeker op de aarde als gevolmachtigden aanstelt, zoals Hij degenen voor hen als gevolmachtigden aanstelde. En dat Hij hun godsdienst, die Hem voor hen behaagde, zeker bevestigt en dat Hij voor hen, na hun vrees (die door) veiligheid vervangt. ‘Zij aanbidden Mij en zij kennen Mij in niets deelgenoten toe’. Maar wie daarna ongelovig zijn, zij zijn degenen die zwaar zondig zijn.” (Al-Nur, 24:55). Maar het is verboden om één specifiek vers uit de Qur’an aan te halen alsof het van toepassing zou zijn op een voorval dat zich 1400 jaar na de openbaring van het vers voordoet. Hoe is het mogelijk dat Abu Muhammad Al-Adnani beweert dat “Gods belofte” dit zogenaamde Kalifaat is? Zelfs al veronderstellen we dat deze bewering juist zou zijn, dan had hij moeten zeggen: “Het hoort tot Gods belofte.” Bovendien is er nog een andere taalkundige fout, waarin hij het woord ‘istikhlaf” (opvolging) gebruikt alsof het zou verwijzen naar dit zogenaamde kalifaat. Een bewijs dat dit niet de correcte manier is om dit woord te gebruiken vinden we in het volgende vers: “Hij zei: ‘Hopelijk zal jullie Heer jullie vijanden vernietigen en jullie als opvolgers aanstellen (yastakhlifakum) op de aarde, zodat Hij zal aanschouwen hoe jullie handelen’.” (Al-A’raf, 7:129). Opvolging (istikhlaf) betekent dat zij zich vestigden in het land in de plaats van een ander volk. Het betekent niet dat zij de heerser van een bepaald politiek systeem zijn. Volgens Ibn Taymiyyah is er geen tautologie (nodeloos herhalen) in de Qur’an 5. Er is een verschil tussen ‘khilafah’ en ‘istikhlaf’. Al-Tabari zegt in zijn exegese (tafsier) van de Qur’an: “ ‘U als opvolgers aanstellen’ (yastakhlifakum) betekent dat Hij zal maken dat jullie hen opvolgen in hun land, nadat zij werden vernietigd. Vrees hen niet en ook niet een ander volk.” 6 Dit bewijst dat ‘istikhlaf’ hier niet heerschappij betekent maar veeleer het verblijven in hun land.

3/ Te veel vereenvoudigen: Het is niet toegestaan om steeds weer te spreken over “zaken vereenvoudigen”, of om stukken van de Qur’an uit te zoeken zonder ze in hun volledige context te verstaan. Evenmin is het toegestaan te zeggen: “De Islam is eenvoudig en de Profeet (vrede en zegeningen over hem) en zijn nobele gezellen waren eenvoudig, dus waarom moeten we de Islam ingewikkeld maken?” Dat is nu net wat Abu Al-Baraa’ Al-Hindi heeft gedaan in zijn online video in juli 2014. Daarin zegt hij: “Sla de Qur’an open en lees de verzen over Jihad en alles zal je duidelijk worden (…) Alle geleerden zeggen me: ‘Dit is een wettelijke verplichting (fard), of dat is geen wettelijke verplichting en dit is geen tijd voor Jihad.’ (…) Vergeet iedereen en lees de Qur’an en je zal weten wat Jihad is.” Mensen horen te begrijpen dat de Profeet (vrede en zegeningen over hem) en zijn nobele Gezellen het met een minimum aan materiële middelen moesten stellen, zonder ingewikkelde technologieën. Maar ze waren veel sterker dan wij allemaal wanneer het gaat om inzicht, jurisprudentie en intellect. En toch was slechts een klein aantal van de Gezellen gekwalificeerd om fatwa’s uit te vaardigen. God (de Verhevene, de Geprezene) zegt in de Qur’an: “(…) Zeg: ‘Zijn degenen die kennis hebben gelijk aan degenen die geen kennis hebben?’ (…)” (Al-Zumar, 39:9). God (de Verhevene, de Geprezene) zegt ook: “(…) Vraag dan de bezitters van kennis, indien jullie het niet weten.” (Al-Anbiya’, 21:7) en: “(…) En indien zij het aan de Boodschapper hadden voorgelegd, en aan diegenen van hen die met gezag zijn bekleed, dan hadden degenen die onderzoeksbekwaam zijn er kennis van kunnen nemen. (…)” (Al-Nisa’, 4;83) Met andere woorden, jurisprudentie is geen eenvoudige zaak en niet iedereen kan hierover zomaar met gezag spreken of fatwa’s (religieuze oordelen) uitvaardigen. God (de Verhevene, de Geprezene) zegt in de Qur’an: “(…) Het zijn slechts de bezitters van verstand die er lering uit trekken.” (Al-Ra’d, 13:19). En de Profeet Muhammad (vrede en zegeningen over hem) heeft gezegd: “Al wie zonder kennis spreekt over de Qur’an mag zijn plaats in het Vuur verwachten.” 7. Het wordt ook hoog tijd om op te houden met lustig te zeggen: “zij zijn mannen en wij zijn mannen”. Degenen die dit zeggen hebben niet hetzelfde begrip en onderscheidingsvermogen als de edele Gezellen en de imaams van de Vrome Voorgangers (al-Salaf al-Saleh) naar wie ze verwijzen.

4/ Verschil in opinie: Er bestaan twee vormen van verschil in opinie, de laakbare en de prijzenswaardige. Wat het laakbare meningsverschil betreft, zegt God (de Verhevene, de Geprezene) in de Qur’an: “En degenen aan wie het Boek is gegeven splitsten zich pas op nadat het duidelijke bewijs tot hen was gekomen.” (Al-Bayyinah, 98:4). Wat het prijzenswaardige verschil in opinie betreft, zegt God (de Verhevene, de Geprezene): “(…) God leidde degenen die geloofden met de Waarheid, met Zijn toestemming, (weg van degenen die) van mening verschilden (…)” (Al-Baqarah, 2:213). Dit is de opinie van Al-Imam Al-Shafi’i in “Al-Risalah”, van de andere drie imaams en alle geleerden gedurende meer dan duizend jaar.

Bij een verschil in opinie onder vooraanstaande geleerden moet de meest barmhartige, dat is de beste, mening worden gekozen. Gestrengheid moet worden vermeden, net als de opvatting dat gestrengheid een maatstaf voor godsvrucht is. God (de Verhevene, de Geprezene) zegt: “En volgt op de beste wijze wat aan jullie werd neergezonden van jullie Heer. (…)” (Al-Zumar, 39:55) en: “Aanvaard de verontschuldiging en roep op tot het behoorlijke, en wend je af van de onwetenden.” (Al-A’raf, 7:199). God (de Verhevene, de Geprezene) zegt eveneens: Degenen die naar het woord luisteren en daarna het beste ervan volgen, zij zijn degenen die God heeft geleid en zij zijn de bezitters van verstand.” (Al-Zumar, 39:18). In een authentieke Hadith wordt overgeleverd dat Dame Aisha (moge Allah tevreden zijn over haar) heeft gezegd: “Telkens hij werd geconfronteerd met meer dan één optie, koos de Profeet (vrede en zegeningen over hem) altijd de gemakkelijkste.” 8

De strengere opinie mag niet worden gezien als meer devoot, meer godsdienstig of oprecht tegenover God (de Verhevene, de Geprezene). Er schuilt werkelijk overdrijving en extremisme in gestrengheid. God (de Verhevene, de Geprezene) zegt in de Qur’an: “(…) God wenst voor jullie het gemakkelijke, en Hij wenst niet voor jullie het ongemak. (…)” (Al-Baqarah, 2:185). Bovendien heeft de Profeet (vrede en zegeningen over hem) gezegd: “Wees niet streng tegenover jullie zelf, opdat God niet streng wordt tegenover jullie. Een volk was streng voor zichzelf en God was streng tegenover hen.” 9 In gestrengheid gaan desillusie en ijdelheid schuil, omdat strenge mensen van nature menen: “Ik ben streng. Iedereen die minder strikt is dan ik faalt.” En daarom: “Ik ben meer waard dan zij.” Dit houdt in dat je aan God (de Verhevene, de Geprezene) een kwade intentie toeschrijft, alsof God (de Verhevene, de Geprezene) de Qur’an heeft geopenbaard opdat mensen zich ellendig zouden voelen. God zegt: “Taa Haa. Wij hebben de Qur’an niet aan jou neergezonden om je ongelukkig te maken.” (Taa Haa, 20:1-2).

Het is goed op te merken dat de meeste mensen die doorheen de geschiedenis Muslim zijn geworden dat hebben gedaan door vriendelijke uitnodiging (da’wah hasanah). God (de Verhevene, de Geprezene) zegt: “Nodig uit tot de Weg van jouw Heer, met wijsheid en goed onderricht, en wissel met hen van gedachten op de beste wijze. Voorwaar, jouw Heer weet heb beste wie van Zijn Weg is afgedwaald en Hij weet beter wie de recht geleiden zijn.” (Al-Nahl, 16:125). De Profeet (vrede en zegeningen over hem) heeft gezegd: “Wees zachtaardig en hoed je voor geweld en gemene taal.” 10 En terwijl de Islam zich op politiek vlak verspreidde van Centraal-Azië (Khurasan) tot Noord-Afrika onder de Islamitische veroveringen, bleef de meerderheid van de inwoners van die landen honderden jaren lang christen, tot sommigen van hen geleidelijk de Islam hebben aangenomen vanwege vriendelijke uitnodigingen en niet door gestrengheid en dwang. Het is op die manier dat grote landen en hele provincies Muslim werden zonder te zijn veroverd, maar door uitnodiging (da’wah), zoals Indonesië, Maleisië, West en Oost-Afrika en andere. Dus gestrengheid is noch een maatstaf voor godsvrucht, noch een manier om de Islam te verspreiden.

5/ Jurisprudentie in de praktijk (fiqh al-waq’i): “Jurisprudentie in de praktijk” slaat op het proces waarbij de oordelen van de Shari’ah worden toegepast in de praktijk en waarbij ze worden behandeld in het licht van de realiteit en de omstandigheden waarin de mensen leven. Dit gebeurt door inzicht te verwerven in de dagelijkse realiteit van de mensen en door hun problemen, hun moeilijkheden, hun mogelijkheden en alles wat ze ondergaan te identificeren. Praktische jurisprudentie (fiqh al-waq’i) bekijkt de teksten die van toepassing zijn op de realiteit van mensen in een bepaalde periode en de verplichtingen die mogen worden verschoven naar later, tot ze die kunnen vervullen, of uitgesteld op basis van wat ze aankunnen. Imam Ghazali heeft gezegd: “Wat betreft praktische elementen die leiden tot het vastleggen van vereisten is het niet vergezocht dat onafhankelijke redenering (ijtihad) ertoe kan leiden (tot praktische elementen), zelfs als er geen specifieke oorsprong voor bestaat.” 11 Ibn Qayyim Al-Jawziyyah heeft gezegd: “Werkelijk, (een jurist) moet bovenop hun gebruiken en tradities ook begrijpen hoe mensen geneigd zijn tot intriges, bedrog en fraude. Religieuze oordelen (fatwas) veranderen met de veranderende tijden, plaatsen, gebruiken en omstandigheden. En dit alles behoort tot de godsdienst van God, zoals al eerder verduidelijkt.” 12

6/ Het doden van onschuldigen: God (de Verhevene en Geprezene) zegt in de Qur’an: “En dood geen ziel waarvan God (het doden) verboden heeft verklaard, behalve volgens het recht. (…)” (Al-Isra’, 17:33) en: “Zeg: ‘Kom, ik zal voorlezen wat jullie Heer voor jullie verboden heeft verklaard: dat jullie iets als deelgenoot aan Hem toekennen. Wees goed voor jullie ouders en dood jullie kinderen niet uit (vrees voor) armoede. Wij schenken voorzieningen aan jullie en aan hen. En nader niet de zedeloosheid, de openlijke noch de verborgene. En dood niet de ziel die God verboden heeft verklaard, tenzij volgens het recht. Dat is wat Hij jullie heeft opgedragen. Hopelijk zullen jullie begrijpen’.” (Al-An’am, 6:151) Het doden van een ziel – om het even welke ziel – is haraam (verboden en onschendbaar volgens de Islamitische Wet), en het is ook een van de meest afschuwelijke zonden (mubiqat). God (de Verhevene, de Geprezene) zegt in de Qur’an: “Daarom hebben Wij de Kinderen van Israël voorgeschreven dat voor wie een ziel doodt – niet (als vergelding) voor een ziel of voor het verderf zaaien op aarde – het is alsof hij alle mensen doodde, en dat voor wie iemand laat leven het is alsof hij alle mensen deed leven. En waarlijk, Onze Boodschappers kwamen tot hen met duidelijke Tekenen. Velen van hen waren daarna overtreders op de aarde.” (Al-Ma’idah, 5:32). Jullie hebben veel onschuldigen gedood die geen strijders waren, noch gewapend, enkel en alleen omdat ze het niet eens zijn met uw opvattingen.13

7/ Afgevaardigden doden: Het is algemeen bekend dat alle godsdiensten het doden van gezanten verbieden. Wat met gezanten of afgevaardigden wordt bedoeld zijn de mensen die door een groep mensen aan een andere groep worden gezonden om een edele taak uit te voeren, zoals verzoening bewerkstelligen of een boodschap overbrengen. Gezanten genieten een bijzondere onschendbaarheid. Ibn Masoud heeft gezegd: “De Sunnah dat afgevaardigden nooit worden gedood blijft behouden.” 14 Journalisten zijn afgevaardigden van de waarheid – uiteraard als ze eerlijk zijn en geen spionnen – omdat het hun taak is de waarheid aan het brede publiek kenbaar te maken. Jullie hebben de journalisten James Foley en Steven Sotloff genadeloos vermoord, zelfs nadat de moeder van Sotloff jullie had gesmeekt om genade. Hulpverleners zijn eveneens gezanten van genade en goedheid en toch hebben jullie een van hen, David Haines, vermoord. Wat jullie hebben gedaan is onbetwistbaar verboden (haraam).

8/ Jihad: Alle Muslims erkennen de grote waarde van de jihad. God (de Verhevene, de Geprezene) zegt: “O jullie die geloven, wat scheelt er met jullie dat jullie, als er wordt gezegd: ‘Trek uit op het pad van Allah’, bezwaard op de grond zakken?” (Al-Tawbah, 9:38) en: “En bestrijd op de weg van Allah hen die jullie bestrijden. Maar wees geen agressors. God houdt niet van agressors.” (Al-Baqarah, 2:190). En zo zijn er nog veel andere verzen. Imam Shafi’i, de drie andere imaams en zelfs alle geleerden, stellen dat jihad een gemeenschapsverplichting is (fard kifayah) en niet een individuele (fard ayn), omdat God (de Verhevene, de Geprezene) zegt: ”Aan allen heeft God het goede beloofd, en God heeft de strijders boven de thuisblijvers bevoorrecht met een grootse beloning.” (Al-Nisa’, 4:95). Het woord “jihad” is een islamitische term die niet kan worden gebruikt voor gewapend conflict met andere Muslims. Dit is een stevig gevestigd principe. Bovendien zijn alle geleerden het erover eens dat een voorwaarde voor jihad is dat de ouders van die persoon ermee instemmen. Het bewijs hiervoor is dat een man bij de Profeet (vrede en zegeningen over hem) kwam en hem zijn toestemming vroeg om jihad te verrichten. Daarop vroeg de Profeet (vrede en zegeningen over hem): “Leven je ouders nog?” en de man antwoordde: “Ja”. En de Profeet (vrede en zegeningen over hem) zei hem: “Verricht dan jihad (streven, je volledig inzetten) door hen te dienen.” 15 Trouwens, de Islam kent twee soorten jihad: de grote jihad, en dat is de jihad (streven, je inzetten) tegen je eigen ego, en de mindere jihad, namelijk de jihad (strijd) tegen de vijand. Over de grote jihad heeft de Profeet (vrede en zegeningen over hem) gezegd: “We hebben ons van de grote jihad naar de mindere jihad gekeerd.” 16 Als je nu zegt dat deze Hadith zwak of apocrief is, dan is ons antwoord dat het bewijs voor dit concept in de Qur’an zelf te vinden is: “Gehoorzaam de ongelovigen dus niet, maar streef tegen hen met een grote strijd.” (letterlijk: een grote jihad). (Al-Furqan, 25:52). In dit vers slaat “daarmee” op de Qur’an, die “genezing is voor wat in jullie harten is.” (Yunus, 10:57). Dit begrijpen we heel duidelijk uit de Hadith waarin de Profeet (vrede en zegeningen over hem) heeft gezegd: “Zal ik jullie vertellen over de beste van alle daden, de beste daad van vroomheid in de ogen van jullie Heer, die jullie status in het Hiernamaals zal verhogen en beter is voor jullie dan dat je goud en papier besteedt, en beter dan dat je gewapend uittrekt tegen je vijand, dat jij hun nekken treft en zij die van jullie?” Ze zegden: “Ja!” De Profeet (vrede en zegeningen over hem) heeft gezegd: “Het gedenken van God.” 17 Zo blijkt dat de grotere jihad de jihad tegen je ego is, en dat het wapen daarvoor het gedenken van God is en het zuiveren van de ziel. Bovendien heeft God (de Verhevene, de Geprezene) de relatie tussen de twee vormen van jihad uitgelegd in een ander vers: “O jullie die geloven, als jullie een leger treffen, houd dan stand en gedenk God veelvuldig, opdat jullie mogen slagen.” (Al-Anfal, 8:45). Dus standhouden is de mindere jihad en hangt af van de grotere, en dat is de jihad tegen het ego, door God te gedenken en de ziel te zuiveren.

Hoe dan ook is jihad een middel om vrede, veiligheid en zekerheid te bewerkstellingen en niet een doel op zich. Dit blijkt duidelijk uit de woorden van God: “Strijd tegen hen tot er geen fitnah (meer) is en de godsdienst aan God behoort. Maar als zij dan ophouden, dan is er geen vijandschap, behalve tegen de onrechtplegers.” (Al-Baqarah, 2:193). In uw toespraak op 4 juli 2014 heeft U gezegd: “Er is geen leven zonder jihad.” Misschien steunde dit op Al-Qurtubi’s uitleg van het vers: “O, jullie die geloven, antwoord God en de Boodschapper wanneer Hij jullie oproept tot wat jullie leven geeft (…)” (Al-Anfal, 8:24) Echte jihad verlevendigt het hart. Echter, leven zonder jihad is wel mogelijk, omdat Muslims omstandigheden kunnen beleven waarin gewapende strijd niet gepast is, of wanneer jihad niet vereist is. En de islamitische geschiedenis staat bol van dergelijke voorbeelden.

Het is waar en duidelijk dat U en uw strijders geen vrees kennen en dat jullie tot offers bereid zijn in jullie intentie om jihad te voeren. Geen waarheidlievende persoon die de gebeurtenissen heeft gevolgd kan dat ontkennen, vriend noch vijand. Echter: jihad zonder rechtmatige oorzaak, zonder rechtmatige doelstellingen, zonder gerechtigde reden, rechtsgeldige methodologie en rechtsgeldige intentie is helemaal geen jihad maar oorlogszucht en criminaliteit.

     a. De onderliggende intentie voor jihad: God (de Verhevene, de Geprezene) zegt: “en dat de mens slechts dat krijgt waarnaar hij gestreefd heeft.” (Al-Najm, 53:39). De Profetische Traditie vertelt op gezag van Abu Musa Al-Ash’ari dat een man naar de Profeet (vrede en zegeningen over hem) toekwam en zei: “Een man kan vechten uit geestdrift, uit moed of uit trots. Welke daarvan is op de weg van God?” De Profeet (vrede en zegeningen over hem) antwoordde: “Al wie strijd opdat het Woord van God de overhand krijgt, strijdt op de weg van God.” 18 De Profeet (vrede en zegeningen over hem) heeft ook gezegd: “De eerste die op de Dag der Opstanding zal worden geoordeeld is de man die als martelaar stierf. Hij zal worden voorgeleid en (God) zal Hem Zijn gunsten aan hem bekend maken, die hij zal erkennen. Er zal hem worden gevraagd: ‘Wat heb je ermee gedaan?’ waarop de man zal antwoorden: “Ik streed omwille van U tot ik werd gedood.’ Hij (God) zal zeggen: ‘Je hebt gelogen. Je streed opdat men zou zeggen dat je moedig bent, en dat is wat er werd gezegd.’ Dan zal er worden bevolen dat hij op zijn gezicht wordt weggesleept en in het Vuur gegooid.” 19

     b. De reden voor jihad: Voor de Muslims is de reden voor jihad dat ze bestrijden wie hen bestrijdt en niet om zomaar tegen iemand te vechten die hen niet bevecht. Het is ook niet om kwaad te doen aan wie hen kwaad heeft gedaan. Gods woorden voor het toelaten van de jihad zijn: “Toestemming is gegeven aan degenen die bevochten worden, omdat zij met onrecht worden behandeld. En, voorwaar, God is zeker bij machte hen te helpen. Zij zijn degenen die zonder recht zijn verdreven uit hun huizen, alleen maar omdat ze zeiden: ‘Onze Heer is God.’ Als God niet de mensen van elkaar weerhield, waren kloosters, kerken, synagogen en moskeeën, waarin de Naam van God vaak wordt genoemd, zeker verwoest. En God zal zeker hen helpen die Hem (Zijn godsdienst) helpen. God is Waarlijk Sterk, Geweldig.” (Al-Hajj, 22:39-40). Op die manier wordt jihad gelinkt aan veiligheid, godsdienstvrijheid, het feit getroffen te zijn door onrecht en verdrijving uit je land. Deze twee verzen werden geopenbaard nadat de Profeet (vrede en zegeningen over hem) en zijn gezellen gedurende dertien jaar waren gemarteld, vermoord en vervolgd door de afgodenvereerders. Er bestaat dus niet zo iets als offensieve, agressieve jihad gewoon maar omdat mensen er een ander geloof of een andere mening op nahouden. Dit is de stellingname van Abu Hanifa, de imaams Malik en Ahmad en alle andere geleerden, onder wie ook Ibn Taymiyyah – met uitzondering van sommige geleerden uit de Shafi’i leerschool. 20

     c. Het doel van de jihad: Geleerden zijn het eens over het doel van de jihad, omdat God (de Verhevene, de Geprezene) zegt: “Bestrijd hen tot er geen Fitnah (meer) is en de godsdienst aan God toebehoort. En als zij dan ophouden, zal er geen vijandigheid zijn, behalve tegen misdadigers.” (Al-Baqarah, 2:193). Verder heeft de Profeet (vrede en zegeningen over hem) gezegd: “Er werd mij bevolen de mensen te bestrijden tot ze zeggen: ‘Er is geen god behalve God.’ Dus al wie zegt: ‘Er is geen god behalve God’ is veilig wat hemzelf en zijn rijkdom betreft, behalve voor wat is toegestaan bij Wet – en zijn verantwoording gebeurt tegenover God.” 21. Dat was het doel van jihad toen er een oorlog werd gevoerd tegen de Muslims. In deze teksten vinden we een duidelijke omschrijving van de overwinning wanneer Muslims zegevieren en ze tonen aan dat de aanleiding voor de jihad niet mag worden verward met het doel van de jihad. Alle geleerden zijn het hierover eens. De Hadith hierboven verwijst naar een gebeurtenis die al plaats heeft gevonden en is voorwaardelijk, op basis van Gods woorden: “Hij is het Die Zijn Boodschapper heeft gezonden met de Leiding en de ware godsdienst, om deze over alle godsdiensten te doen zegevieren. En God is voldoende als getuige.” (Al-Fath, 48:28). Dit gebeurde op het Arabische Schiereiland ten tijde van de Profeet (vrede en zegeningen over hem), aangezien God (de Verhevene, de Geprezene) zegt: “(…) om de Moeder aller Steden (Um al-Qura) mee te vermanen en die eromheen (…)” (Al-An’am, 6:92) en: “O jullie die geloven, bestrijd de ongelovigen in jullie naaste omgeving (…)” (Al-Tawbah, 9:123). De Profeet (vrede en zegeningen over hem) heeft ook gezegd: “Verdrijf de afgodendienaars van het Arabische Schiereiland.” 22 Hoe is het mogelijk dat dit niet zou zijn gebeurd, terwijl God (de Verhevene, de Geprezene) aan de Profeet belooft: “Hij is het Die Zijn Boodschapper heeft gezonden met de leiding en de ware godsdienst, opdat Hij ze laat zegevieren over alle (andere) godsdiensten, ook al haten de veelgodenaanbidders het.” (Al-Saff, 61:9). Wat hier wordt bedoeld is het Arabische Schiereiland, want dit was een voorval tijdens het leven van de Profeet (vrede en zegeningen over hem). Hoe dan ook, wanneer de bevelhebbers van de jihad menen dat het in het belang van de Muslims is, dan is het toegestaan dat ze de strijd staken, zelfs al is dit doel nog niet bereikt. Dat is omdat God (de Verhevene, de Geprezene) zegt: “(…) en als zij dan ophouden, zal er geen vijandigheid zijn, behalve tegen misdadigers.” (Al-Baqarah, 2:193). De omstandigheden en gebeurtenissen van Sulh al-Hudaybiyah (het Verdrag van Hudaybiyah) zijn hiervoor een bewijs.

     d. De gedragsregels voor de jihad: Wat de gedragsregels voor de jihad zijn, wordt samengevat in de woorden van Profeet Muhammad (vrede en zegeningen over hem): “Voer oorlog, maar wees niet streng, pleeg geen verraad, vermink en dood geen kinderen. (…)” 23 De Profeet (vrede en zegeningen over hem) heeft op de dag dat Mekka werd ingenomen ook gezegd: “Zij die zich terugtrekken mogen niet worden gedood, noch mag de gewonden kwaad worden gedaan. En wie zijn deur sluit is veilig.” 24 In dezelfde trant heeft Abu Bakr Al-Siddiq (moge God tevreden zijn over hem), toen hij een leger voorbereidde en het naar de Levant stuurde, gezegd: “Jullie zullen er mensen vinden die hun leven hebben toegewijd aan kloosters. Laat hen hun devoties verrichten. Jullie zullen er ook diegenen vinden wiens hoofden zetels voor de duivels zijn (gewapende diakens 25), dus tref hun nekken. Dood echter niemand die oud is of gebrekkig, geen vrouwen of kinderen. Vernietig geen gebouwen, hak geen bomen om en breng het vee geen schade toe zonder dat je er een goede reden voor hebt. Verbrand geen palmbomen of verdrink ze niet. Pleeg geen verraad, vermink niet, wees niet laf en plunder niet. En waarlijk, God zal diegenen steunen die Hem en Zijn Boodschappers steunen terwijl ze Hem niet zien. Waarlijk, God is Sterk, Machtig.” 26

Wat het doden van gevangenen betreft, dat is onder de Islamitische Wet verboden. Toch hebben jullie al veel gevangenen vermoord, waaronder de 1700 gevangenen in Camp Speicher in Tikrit in juni 2014, de 200 gevangenen in het gasveld van Sha’er in juli 2014, de 700 gevangenen van de Sha’etat stam in Deir el-Zor (waarvan 600 ongewapende burgers), de 250 gevangenen van de luchtmachtbasis Tabqah in Al-Raqqah in augustus 2014, Koerdische in Libanese soldaten en zo velen van wie we niets weten, maar die bij God gekend zijn. Dit zijn afgrijselijke misdaden.

Als jullie beweren dat de Profeet (vrede en zegeningen over hem) een aantal gevangenen tijdens enkele van de veldslagen heeft gedood, dan is het antwoord hierop dat hij enkel en alleen de dood heeft bevolen van twee gevangenen, tijdens de slag bij Badr: Uqbah ibn Abi Mu’ayt en Nadr ibn Al-Harith. Ze waren de aanvoerders van de oorlog en oorlogsmisdadigers, en de executie van oorlogsmisdadigers is toegestaan indien ze door de heerser wordt bevolen. Dat is wat ook Saladin heeft gedaan bij de verovering van Jeruzalem en wat de Geallieerden hebben gedaan tijdens de rechtsspraak in Nurenberg (Duitsland) na Wereldoorlog II. Maar van de tienduizenden krijgsgevangenen die in een periode van tien jaar en 29 veldslagen onder de jurisdictie van de Profeet (vrede en zegeningen over hem) vielen, heeft hij niet één enkele gewone soldaat geëxecuteerd. Integendeel, hij gaf het bevel ze vriendelijk te behandelen. 27

Dit is het Goddelijke Decreet over gevangenen en krijgsgevangenen, in de woorden van God (de Verhevene, de Geprezene) zelf: “(…) Daarna ofwel (vrijlating) met genade of losgeld (…)” (Muhammad, 47:4). God (de Verhevene, de Geprezene) gaf het bevel om krijgsgevangenen en gevangenen waardig en respectvol te behandelen: “En zij gaven het voedsel waar zij van hielden aan een arme, aan een wees, aan een gevangene.” (Al-Insan, 76:8). De echte Sunnah van de Profeet (vrede en zegeningen over hem) in verband met gevangenen is er wel degelijk een van vergiffenis en amnestie, zoals duidelijk bleek tijdens de verovering van Mekka, toen de Profeet (vrede en zegeningen over hem) heeft gezegd: “Ik zeg wat mijn broeder Jozef heeft gezegd: Er zal deze dag geen verwijt op u rusten. Ga, want jullie zijn vrij!” 28

Tenslotte, een van de belangrijkste principes op het vlak van gedrag tijdens de jihad: alleen strijders mogen worden gedood. Hun families en niet-strijders mogen niet met opzet worden gedood. Als je vraagt naar het voorval toen aan de Profeet (vrede en zegeningen over hem) een vraag werd gesteld over de omstaanders en vrouwen die samen met de afgodendienaars werden gedood, en waarbij hij antwoordde: “Ze horen bij hen.” 29: deze Hadith slaat op het per ongeluk doden en betekent absoluut niet dat het opzettelijk doden van onschuldigen – zoals bij bombardementen – is toegestaan. Wat betreft de woorden van God (de Verhevene, de Geprezene): “(…) en wees streng met hen (…)”(Al-Tawbah, 9:73) en “(…) en laat hen hardheid bij jullie vinden (…)” (Al-Tawbah, 9:123): dat is tijdens de oorlog, niet erna.

9/ Iemand als niet-Muslim bestempelen (takfir): Enkele misverstanden rond takfir komen voort uit de overdrijving van sommige Salafi geleerden in takfir aangelegenheden (van iemand zeggen dat hij geen Muslim is) en uit het feit dat ze daarin verder gaan dan wat Ibn Taymiyyah en Ibn Al-Qayyim over belangrijke aspecten ervan hebben gezegd. In het kort kan takfir op de volgende manier worden samengevat:

     a. Het is kenmerkend voor de Islam dat je nooit over iemand mag zeggen dat hij geen Muslim is als die persoon zegt: “Er is geen godheid behalve God en Muhammad is de Boodschapper van God.” God (de Verhevene, de Geprezene) zegt: “O jullie die geloven, wanneer jullie uittrekken op het pad van God, onderzoek dan (nauwkeurig) en zeg nooit tegen iemand die je de vrede toewenst: ‘Jij bent geen gelovige’, in het verlangen naar de vergankelijke genieting van het wereldse leven. Het is bij God dat zich de overvloedige buit bevindt. Zo waren jullie zelf (ongelovig) en toen begunstigde God jullie. Onderzoek dus. Waarlijk, God is alwetend over wat jullie doen.” (Al-Nisa’, 4:94). De betekenis van “onderzoek dan nauwkeurig” in het vers hierboven is dat ze de persoon vragen: “Zijn jullie Muslims?” Het antwoord hierop moet meteen worden aanvaard, zonder het in vraag te stellen of hun geloof te testen. Bovendien heeft de Profeet (vrede en zegeningen over hem) gezegd: “Wee jullie! Kijk! Na mijn dood, word dan niet opnieuw ongelovigen die elkaars nekken treffen.” 30 Ook heeft de Profeet (vrede en zegeningen over hem) gezegd: “(…) al wie zegt: ‘Er is geen godheid behalve God’ heeft zichzelf en zijn bezit gered, behalve wat de wet toestaat, en zijn afrekening is bij God.” 31 Ibn Omar en Dame Aisha hebben ook gezegd: “Mensen van de Qiblah niet-Muslims noemen is niet toegestaan” 32

     b. Dit is een zaak van het allergrootste belang, omdat dit wordt gebruikt als vergoelijking voor het vergieten van het bloed van Muslims, voor het verbreken van hun onschendbaarheid en het innemen van hun bezittingen en hun rechten. God (de Verhevene, de Geprezene) zegt: “En al wie een gelovige opzettelijk doodt, zijn vergelding is de Hel. Hij is eeuwig levend daarin. En God is woedend op hem en Hij vervloekt hem, en Hij bereidt voor hem een geweldige bestraffing voor.” (Al-Nisa’, 4:93). Bovendien heeft de Profeet (vrede en zegeningen over hem) gezegd: “Eenieder die tegen zijn broeder zegt: ‘Jij ongelovige’, voor een van hen zal dit zeker waar zijn.” 33 God (de Verhevene, de Geprezene) heeft in de meest strenge bewoordingen gewaarschuwd voor het doden van iemand die zijn Islam mondeling verkondigt: “(…) En daarom: als zij zich van jullie afzijdig houden en jullie vrede aanbieden, dan heeft God voor jullie geen weg tegen hen geopend (om hen te doden).” (Al-Nisa’, 4:90). De Profeet (vrede en zegeningen over hem) heeft gewaarschuwd om mensen niet te beschuldigen van veelgodendom en om niet het zwaard tegen hen op te nemen. Hij heeft gezegd: “De persoon die ik het meest voor jullie vrees is de man die de Qur’an heeft gelezen (…), hem heeft afgeworpen en achter zich gelaten, en die het zwaard heeft opgenomen tegen zijn buur en hem van veelgodendom heeft beschuldigd.” 34

Het is niet toegestaan een Muslim te doden (en uiteraard geen enkele mèns) die niet bewapend is en niet betrokken is in de strijd. Usamah Ibn Zayd heeft overgeleverd dat, nadat hij een man had gedood die had gezegd: “Er is geen godheid behalve God”, de Profeet (vrede en zegeningen over hem) hem ondervroeg. “Hij zei: ‘Er is geen godheid behalve God’ en jij hebt hem gedood?” Ik antwoordde: “O Boodschapper van God, hij zei het alleen maar uit angst voor (onze) wapens.” Hij zei: ‘Heb jij in zijn hart gekeken om te zien of hij het meende?’” 35

Onlangs dook Shaker Wahib – die banden had met wat we toen kenden als de Islamitische Staat in Iraq en de Levant (ISIL) – op in een YouTube video waarin hij ongewapende burgers die zegden dat ze Muslims waren tegenhield. Daarop vroeg hij hun wat het aantal neerbuigingen (rak’ahs) is in bepaalde gebeden. Was hun antwoord fout, dan doodde hij ze. 36 Dit is absoluut verboden onder de Islamitische wet en het is een afgrijselijke misdaad.

     c. De daden van mensen zijn onlosmakelijk verbonden met hun intentie voor die daden. De Profeet (vrede en zegeningen over hem) heeft gezegd: “Daden zijn slechts volgens hun intentie, en iedere mens zal krijgen wat hij had bedoeld. (…)” 37 Bovendien zegt God (de Verhevene, de Geprezene): “Wanneer de huichelaars tot jou komen, zeggen ze: ‘Wij getuigen dat jij zeker de Boodschapper van God bent.’ En God weet dat jij waarlijk Zijn Boodschapper bent en God getuigt dat de huichelaars zeker leugenaars zijn.” (Al-Munafiqun, 63:1). Op die manier beschrijft God (de Verhevene, de Geprezene) de woorden van de hypocrieten over de boodschap van de Profeet (vrede en zegeningen over hem) – een onbetwistbaar feit – als leugens omdat hun intentie toen ze het zegden was om te liegen, zelfs al was wat ze zegden op zich waar. Het is een leugen, omdat ze met hun tongen een waarheid verkondigden waarvan God (de Verhevene, de Geprezene) weet dat hun hart die waarheid verwerpt. Dit betekent dat voor ongeloof de intentie tot ongeloof vereist is, en niet alleen woorden of daden die voortkomen uit verstrooidheid. Het is verboden iemand van ongeloof te beschuldigen zonder bewijs voor zijn intentie van ongeloof. Noch is het toegestaan om iemand ervan te beschuldigen dat hij geen Muslim is zonder zeker te zijn van die intentie. Het is per slot van rekening mogelijk dat die persoon onder dwang stond, niet bij zijn verstand was of niet meende wat hij zei. Het is ook mogelijk dat hij iets verkeerd had begrepen. God (de Verhevene, de Geprezene) zegt: “Wie aan God ongelovig is na geloofd te hebben – behalve wie werd gedwongen terwijl zijn hart in het geloof tot rust gekomen was – maar (voor) degene die zijn hart voor het ongeloof open stelde: voor hem is er de toorn van God en voor hem is er een geweldige bestraffing.” (Al-Nahl, 16:106).

Het is verboden de gevolgen van iemands daden te interpreteren. Enkel de persoon zelf heeft het recht zijn of haar eigen daden te interpreteren – al helemaal wanneer er een verschil in opinie bestaat onder de Muslims over die bepaalde daad. Het is eveneens verboden om anderen “niet-Muslim” te noemen (takfir) op basis van iets waarover de Muslimgeleerden van mening verschillen. Het is verboden een hele groep mensen “niet-Muslim” te verklaren. Ongeloof is enkel van toepassing op individuen en is afhankelijk van hun daden en hun intenties. God (de Verhevene, de Geprezene) zegt: “(…) en geen lastdrager zal de last (zonden) van een ander dragen. (…)” (Al-Zumar, 39:7) Tenslotte is het verboden om mensen “niet-Muslim” te noemen vanwege het feit dat ze niet twijfelen aan het geloof van anderen of dat ze weigeren hen niet-Muslims te noemen.

De reden waarom we dit punt zo gedetailleerd hebben besproken, is omdat jullie de boeken van Mohammad bin Abdel-Wahhab hebben uitgedeeld zodra jullie Mosul en Aleppo hadden bereikt. Hoe dan ook, de geleerden – inclusief Ibn Taymiyyah en Ibn Al-Qayyim Al-Jawziyyah – maken een onderscheid tussen de daden van een ongelovige (kafir) en het benoemen van mensen als niet-Muslim (takfir). Zelfs als iemand een daad stelt die elementen van ongeloof bevat, dan is dat nog geen reden om te oordelen dat hij een ongelovige is, vanwege hoger vermelde redenen. Al-Dhahabi 38 heeft overgeleverd dat zijn leermeester, Ibn Taymiyyah, naar het einde van zijn leven toe zei: “Ik verklaar geen enkel lid van de ummah niet-Muslim. De Profeet (vrede en zegeningen over hem) heeft gezegd: ‘Iedereen die zijn kleine wassing verricht is een gelovige’, dus iedereen die de voorgeschreven gebeden met de kleine wassing in acht neemt is een Muslim.”

Dit is een cruciaal punt. De Profeet (vrede en zegeningen over hem) heeft gezegd: “Subtiele shirk (dat is als je partners aan God toeschrijft) is wanneer een man in gebed staat en zijn gebed verfraait omwille van een toeschouwer.” 39 Hiermee omschreef hij het uiterlijk vertoon tijdens het gebed als “subtiele shirk”, dus kleine shirk. Deze kleine shirk, waarin sommige aanbidders vervallen, wordt niet als grote shirk beschouwd en mag dus niet tot takfir leiden, of tot uitsluiting van de Islam. Want behalve de profeten en boodschappers verricht iedereen zijn aanbidding van God (de Verhevene, de Geprezene) naar eigen vermogen en niet volgens wat God (de Verhevene, de Geprezene) eigenlijk verdient. God (de Verhevene, de Geprezene) zegt: “Ze hebben God niet waarheidsgetrouw ingeschat (…)” (Al-An’am, 6:91) en: “En zij zullen jou ondervragen over de ziel. Zeg: ‘De ziel behoort tot de zaken van mijn Heer. En de kennis erover wordt jullie niet gegeven, behalve een weinig’.” (Al-Isra’, 17:85). Desondanks aanvaardt God (de Verhevene, de Geprezene) dat soort aanbidding. En de mensen zijn niet in staat om God (de Verhevene, de Geprezene) te vatten, want: “(…) Er is niets dat Hem gelijkt (…)” (Al-Shura, 42:11) en: “Geen blik kan Hem bereiken, maar Hij bereikt de blik (van iedereen) (…)” (Al-An’am, 6:103). We weten niets over Hem tenzij wat Hij heeft bekendgemaakt door Openbaring (al-wahy) of wat Hij heeft meegedeeld aan de Profeet Mohammed (vrede en zegeningen over hem): “(…) Hij zendt de Openbaring op Zijn bevel aan wie Hij wil van Zijn dienaren (…)” (Ghafir, 40:15). Hoe kan iemand dan het zwaard opnemen tegen anderen alleen maar omdat hij of zij vindt dat ze God (de Verhevene, de Geprezene) niet vereren zoals Hij het verdient? Niemand vereert God zoals Hij dat verdient behalve met Zijn toelating. Meer fundamenteel is dat dit punt van shirk onder de Arabieren betwistbaar is, omdat de Profeet (vrede en zegeningen over hem) heeft gezegd: “De Duivel heeft de hoop opgegeven dat zij die bidden op het Arabische Schiereiland hem zullen aanbidden, maar hij richt zich er nu op om onenigheid onder hen te veroorzaken.” 40

10/ Mensen van het Boek: Aan de Arabische christenen hebben jullie drie keuzemogelijkheden gegeven: jiziyah (tol, belasting), het zwaard of zich bekeren tot de Islam. Jullie hebben hun huizen rood geschilderd, jullie hebben hun kerken vernield en in sommige gevallen zelfs hun huizen en bezittingen geplunderd. Jullie hebben een deel van hen vermoord en anderen ertoe gedreven hun huizen te ontvluchten met niets meer dan hun leven en de kleren die ze droegen. Deze christenen zijn geen actieve strijders tegen de Islam en ze zijn er ook niet tegen in overtreding. Ze zijn zelfs vrienden, buren, landgenoten en medeburgers. Vanuit het wettelijke Shari’ah perspectief vallen zij onder overeenkomsten die al zo’n 1400 jaar oud zijn en de regels voor jihad zijn niet van toepassing op hen. Sommige van hun voorouders hebben samen met het leger van de Profeet (vrede en zegeningen over hem) gestreden tegen de Byzantijnen en zijn dus sinds die tijd burgers van de staat Medina. Nog anderen vallen onder akkoorden die hen werden gegarandeerd door Omar ibn Al-Khattab, Khalid ibn Al-Walid, de Umayyaden, de Abbasidi’s, de Ottomanen en hun respectieve staten. Kort samengevat: ze zijn geen vijanden, maar vrienden. Gedurende de voorbije 1400 jaar hebben zij hun landen verdedigd tegen de kruisvaarders, de kolonisatie, Israël en andere oorlogen. Hoe kan het dan dat je hen nu als vijanden behandelt? God (de Verhevene, de Geprezene) zegt in de Qur’an: “God verbiedt jullie niet om met degenen die jullie niet vanwege de godsdienst bestrijden, en die jullie niet uit jullie woonplaatsen verdrijven, goed en rechtvaardig om te gaan. Voorwaar, God houdt van de rechtvaardigen.”

Wat de jiziyah betreft, kennen we in de Shari’ah (Islamitische Wetgeving) twee vormen. De eerste is de heffing wanneer de onderdaan “onderworpen werd”. Hiermee worden diegenen bedoeld die de Islam hebben bestreden. Dat begrijpen we uit de woorden van God (de Verhevene, de Geprezene): “Doodt dan hen die niet in God en het Hiernamaals geloven en niet voor verboden houden wat God en Zijn Boodschapper verboden hebben verklaard, en hen die de godsdienst van de waarheid niet als godsdienst nemen onder degenen aan wie de Schrift werd gegeven, tot zij het beschermgeld (jiziyah) betalen, naar vermogen, terwijl ze onderdanig zijn.” (Al-Tawbah, 9:29) In een eerder vers van dezelfde Surah (hoofdstuk van de Qur’an) wordt duidelijk gemaakt dat dit vers slaat op alle partijen die de Muslims als eersten (preventief) hebben aangevallen. “Waarom bestrijden jullie een volk dat zijn eden breekt niet, terwijl zij van plan zijn de Boodschapper te verdrijven en jullie als eersten aanvallen? Vrezen jullie hen terwijl God er meer recht op heeft dat jullie Hem vrezen, als jullie gelovigen zijn?” (Al-Tawbah, 9:13) 41  De tweede vorm van jiziyah wordt aangerekend aan hen die geen oorlog voeren tegen de Islam. Zij betalen dit in plaats van de zakaat (die alleen door Muslims wordt betaald en die een hoger percentage beslaat dan de jiziyah), op basis van een verdrag en zonder hardheid. Omar ibn Al-Khattab stemde erin toe om het te bestempelen als “liefdadigheid” (sadaqah). Dan wordt de jiziyah in de staatskas gestort en verdeeld onder de burgers, ook behoeftige christen burgers, zoals Omar (moge God tevreden over hem zijn) het tijdens zijn kalifaat heeft gedaan. 42

11/ Yazidis: Jullie hebben de Yazidis bestreden onder de vlag van de jihad, maar zij bestreden noch jullie, noch Muslims. Jullie bestempelden hen als satanisten en stelden hen voor de keuze tussen de dood of gedwongen bekering tot de Islam. Jullie hebben honderden van hen vermoord en in massagraven begraven. Jullie veroorzaakten de dood of het lijden van honderden anderen. Waren er niet de Amerikaanse en Koerdische interventies geweest, dan zouden wellicht tienduizenden van hun mannen, vrouwen en kinderen zijn vermoord. Dat zijn allemaal afgrijselijke misdaden.

Vanuit wettelijk perspectief, volgens de Shari’ah, zijn zij magiërs omdat de Profeet (vrede en zegeningen over hem) heeft gezegd: “Behandel hen zoals jullie de Mensen van het Boek behandelen.” 43 Zij zijn dus Mensen van de Schrift. God (de Verhevene, de Geprezene) zegt: “Voorwaar, degenen die geloven, en de joden en de sabiërs en de christenen en de magiërs, en degenen die deelgenoten toekennen: voorwaar God zal tussen hen oordelen op de Dag der Opstanding. Voorwaar, God is over alle zaken Getuige.” (Al-Hajj, 22:17). Zelfs als jullie eraan twijfelen of ze wel tot de Mensen van de Schrift behoren, hebben heel wat geleerden onder de godvruchtige voorgangers hen vanuit het wettelijk Shari’ah standpunt beschouwd als vergelijkbaar met de magiërs, op basis van de net aangehaalde Hadith. De Umayyaden beschouwden zelfs de hindoes en buddhisten als dhimmis. Al-Qurtubi heeft gezegd: “Al-Awza’i heeft gezegd: ‘Jiziyah wordt geheven bij hen die afgoden en vuur aanbidden en ook op ongelovigen en agnosten’.” Dit is ook de Maliki visie, omdat de opinie van imaam Malik was dat jiziyah wordt geïnd van alle afgodenvereerders en ongelovigen, ongeacht of ze Arabieren zijn of niet, behalve van afvalligen. 44

12/ Slavernij: Geen enkele islamgeleerde ontkent dat de Islam tot doel heeft om de slavernij af te schaffen. God (de Verhevene, de Geprezene) zegt: “En wat doet jou weten wat de drempel is? Het vrijlaten van een slaaf. Of het geven van voedsel op een dag van hongersnood.” (Al-Balad, 90:12-14) en: “(…) zij moeten een slaaf vrijkopen voordat ze elkaar aanraken (…).” (Al-Mujadilah, 58:3) Het is een Sunnah van de Profeet Muhammed (vrede en zegeningen over hem) dat hij alle mannelijke en vrouwelijke slaven die hij bezat heeft vrijgelaten, en ook degenen die men hem had geschonken. 45 Meer dan een eeuw lang vormden de Muslims, en zelfs de hele wereld, een front om de slavernij te verbieden en ze te criminaliseren. Het was een mijlpaal in de geschiedenis van de mensheid toen dit eindelijk werd bereikt. De Profeet (vrede en zegeningen over hem) heeft over de pre-islamitische “Liga van de Deugdzamen” (hilfalfudul) in de tijd van Jahiliyyah gezegd: “Hadden ze me gevraagd hen te helpen, zelfs na de komst van de Islam, dan had ik ze zonder aarzelen opnieuw vervoegd.” 46 Na een eeuw van consensus onder de Muslims over het verbod op slavernij hebben jullie die geschonden. Jullie hebben vrouwen tot bijzitten genomen en op die manier strijd en opruiing (fitnah) doen heropleven, en verderf en ontucht op aarde. Jullie hebben iets opnieuw in het leven geroepen waartegen de Shari’ah zich onvermoeibaar heeft verzet en dat meer dan een eeuwlang unaniem verboden is verklaard. Werkelijk alle Muslimlanden ter wereld hebben de conventies tegen de slavernij ondertekend. God (de Verhevene, de Geprezene) zegt: “(…) En komt de belofte na. Voorwaar over de belofte worden jullie (op de Dag der Opstanding) ondervraagd.” (Al-Isra, 17:34) Jullie dragen de verantwoordelijkheid voor deze enorme misdaad en voor alle reacties tegen alle Muslims die daaruit kunnen voortvloeien.

13/ Druk en dwang: God (de Verhevene, de Geprezene) zegt: “Jij bent over hen geen heerser.” (Al-Ghashiyah, 88:22) en: “Als je Heer het had gewild, dan zouden degenen die op aarde zijn zeker allen tezamen hebben geloofd. Wil jij dan de mensen dwingen opdat zij gelovigen worden?” (Yunus, 10:99) en: “En zeg: ‘De waarheid is van jullie Heer. Dus wie wil, laat hem geloven. En wie wil, laat hem ongelovig zijn’(…).” (Al-Kahf, 18:29) en: “Jullie hebben jullie geloof en ik heb mijn geloof.” (Al-Kafirun, 109-6)

Het is geweten dat het vers: “Er is geen dwang in de godsdienst” werd geopenbaard na de verovering van Mekka. Niemand kan dus beweren dat het achterhaald is. Jullie hebben mensen gedwongen zich tot de Islam te bekeren, net zoals jullie Muslims hebben gedwongen om jullie visie over te nemen. Ook dwingen jullie iedereen die onder jullie controle leeft in elk aspect van hun leven, groot of klein, zelfs in aangelegenheden die een zaak tussen de persoon en God (de Verhevene, de Geprezene) zijn. In Al-Raqqa, Deir el-Zor en andere gebieden onder jullie controle doen gewapende bendes, die zich “al-hisbah” noemen, de ronde en roepen ze de mensen ter verantwoording alsof ze door God (de Verhevene, de Geprezene) zijn aangesteld om Zijn geboden uit te voeren. Nochtans heeft niet één van de Gezellen dat ooit gedaan. Dit is niet hoe je het goede en eerbare opdraagt en het kwade verbiedt, maar dwang, aanranding en voortdurende, willekeurige intimidatie. Indien God (de Verhevene, de Geprezene) dit had gewild, dan had Hij dit tot in de kleinste details in Zijn godsdienst opgenomen. God zegt: “(…) Weten degenen die geloven niet dat, als God het zou willen, Hij zeker alle mensen zou hebben geleid? (…)” (Al-Ra’d, 13:31) en: “Als Wij het gewenst hadden, hadden Wij een teken uit de hemel tot hen doen neerdalen, zodat hun nekken ervoor gebogen bleven.” (Al-Shu’ara’, 26:4).

14/ Vrouwen: Simpel gezegd, jullie behandelen vrouwen als gedetineerden en gevangenen, ze moeten zich kleden volgens jullie grillen, ze mogen hun huizen niet verlaten en het wordt hen verboden naar school te gaan. Dit ondanks het feit dat de Profeet (vrede en zegeningen over hem) heeft gezegd: “Het verwerven van kennis is verplicht voor elke Muslim47 en ondanks het feit dat het eerste woord van de Qur’an dat werd geopenbaard was: “Lees”. Bovendien staan jullie ze niet toe te gaan werken of in hun levensonderhoud te voorzien, ze mogen niet vrij bewegen en ze worden gedwongen te trouwen met jullie strijders. God (de Verhevene, de Geprezene) zegt: “O mensen, vrees jullie Heer, Die jullie schiep uit een enkele ziel, en Die daaruit zijn echtgenote schiep en uit hen beiden vele mannen en vrouwen deed voortkomen. En vrees God in Wiens naam jullie (elkaar) om hulp vragen en (onderhoudt) jullie familiebanden. Voorwaar, God is de Waker over jullie.” (Al-Nisa’, 4:1) En de Profeet (vrede en zegeningen over hem) heeft gezegd: “Behandel de vrouwen goed!” 48

15/ Kinderen: Jullie hebben kinderen laten deelnemen aan oorlog en moord. Er zijn er die de wapens opnemen en er zijn er die spelen met de afgehouwen hoofden van jullie slachtoffers. Sommige kinderen werden in het heetste van de strijd gestort, ze doden en worden gedood. In jullie scholen zijn er kinderen die worden gemarteld en gedwongen om jullie bevelen uit te voeren, en nog anderen worden geëxecuteerd. Dit zijn misdaden tegen onschuldigen, die zo jong zijn dat ze moreel niet eens aansprakelijk zijn. God zegt: “En waarom zouden jullie niet vechten op de Weg van God (ter verdediging) van de onderdrukten onder de mannen, de vrouwen en de kinderen? Degenen die zeggen: ‘Onze Heer, haal ons weg uit deze stad waar de mensen onrecht plegen en breng ons van Uw zijde een beschermer, en brengt ons van Uw zijde een helper!’” (Al-Nisa’, 4:75).

16/ Hudud (Bestraffing): Hudud straffen werden vastgelegd in de Qur’an en Hadith, en er bestaat geen twijfel over dat ze verplicht zijn onder de Islamitische Wetgeving. Ze mogen echter niet worden toegepast zonder verduidelijking, waarschuwing, aanmaning of bewijslast, en ze mogen niet op een wrede manier worden uitgevoerd. De Profeet (vrede en zegeningen over hem) heeft bijvoorbeeld in sommige situaties de hudud ontweken en, zoals algemeen bekend is, heeft Omar ibn Al-Khattab de hudud tijdens een hongersnood opgeheven. In alle leerscholen zijn er duidelijke procedures voor hudud, die met barmhartigheid moeten worden toegepast. En hun voorwaarden maken het eigenlijk moeilijk om ze toe te passen. Bovendien doen vermoedens of twijfel de hudud teniet. Dit betekent dat er bij de minste twijfel geen hudud straf mag worden uitgevoerd. De hudud straffen worden trouwens niet uitgevoerd bij mensen die in nood verkeren, die berooid of behoeftig zijn. Jullie hebben hals over kop de hudud toegepast, terwijl eigenlijk gewetensvolle religiositeit de uitvoering van de hudud straffen juist uitermate moeilijk maakt, met de allergrootste bewijslast.

17/ Martelingen: Jullie gevangenen, en enkele van de mensen onder jullie controle, hebben verteld dat jullie hen hebben gemarteld en geterroriseerd met slagen, moord en allerlei martelpraktijken, zelfs het levend begraven van mensen. Jullie hebben mensen onthoofd met messen, wat een van de wreedste martelpraktijken is en verboden door de Islamitische Wet (Shari’ah). Bij de massamoorden die jullie pleegden – en die door de Islamitische Wet worden verboden – hebben jullie strijders de mensen die ze kort daarna zouden doden bespot door te zeggen dat ze als schapen zouden worden gedood, al blatend. Waarop ze hen nadien inderdaad als schapen hebben afgeslacht. Jullie strijders hebben niet genoeg aan moorden alleen, ze voegen er vernedering, kleinering en spot aan toe. God (de Verhevene, de Geprezene) zegt: “O jullie die geloven, laat een volk niet een ander volk beledigen. Het kan zijn dat zij beter zijn dan hen (…)” (Al-Hujurat, 49:11)

18/ Verminking: Jullie hebben niet alleen lijken verminkt, jullie hebben de hoofden van jullie slachtoffers op staken en stangen gestoken, en jullie hebben afgehouwen hoofden in het rond geschopt als ballen en dat beeld de wereld ingestuurd tijdens de Wereldbeker – een sport die in principe toegestaan is in de Islam en mensen de kans geeft hun stress te ontladen en hun problemen te vergeten. Jullie hebben lijken en afgehakte hoofden beschimpt en jullie zonden de beelden ervan uit vanaf de militaire posten die jullie in Syrië hadden ingenomen. Jullie hebben degenen die de Islam barbaars willen noemen volop munitie hiervoor gegeven door jullie barbaarse daden uit te zenden en te beweren dat jullie dat doen omwille van de Islam. Jullie hebben de wereld een stok gegeven om de Islam mee te slaan, terwijl de Islam in werkelijkheid absoluut onschuldig is aan deze daden en ze verbiedt.

19/ Onder het mom van nederigheid misdaden toeschrijven aan God: Nadat jullie Syrische soldaten van de 17° Divisie in Noord-Oost Syrië aan prikkeldraad hadden gebonden, sneden jullie hun hoofden af met messen en publiceerden jullie de video ervan op het internet. In die video verklaarden jullie: “Wij zijn jullie broeders, de soldaten van de Islamitische Staat. God heeft ons begunstigd met Zijn genade en overwinning dankzij de zege over de 17° Divisie, een overwinning en een gunst van God. We zoeken onze toevlucht bij God tegen onze kracht en macht. We zoeken onze toevlucht bij God tegen onze wapens en onze bereidheid.” Op die manier legden jullie deze afschuwelijke misdaad bij God (de Verhevene, de Geprezene) en deden jullie het uitschijnen alsof dit een daad van nederigheid tegenover God (de Verhevene, de Geprezene) was door te zeggen dat Hij (de Verhevene, de Geprezene) het had gedaan en niet jullie. Maar God zegt: “En wanneer zij een gruweldaad bedrijven, dan zeggen zij: ‘Wij troffen dit bij onze vaderen aan en God heeft ons dit bevolen.’ Zeg: ‘Voorwaar, God beveelt geen gruweldaden. Zeggen jullie dat over God wat jullie niet weten?’” (Al-A’raf, 7:28).

20/ De vernietiging van graven en schrijnen van Profeten en Gezellen. Jullie hebben de graven van Profeten en Gezellen opgeblazen en vernield. Geleerden zijn het oneens over het onderwerp van de graven. Toch is het niet toegestaan om de graven van Profeten en Gezellen op te blazen en hun stoffelijke overschotten te verstoren, net zo min als je druiven mag verbranden omdat er mensen zijn die er wijn van maken. God (de Verhevene, de Geprezene) zegt: “(…) Degenen die de overhand kregen over hun zaak zeiden: ‘Wij zullen zeker over hen een gebedsruimte maken’.” (Al-Kahf, 18:21) en: “(…) Neem de standplaats van Ibrahiem tot een plaats voor de Salaat (…)” (Al-Baqarah, 2:125). De Profeet (vrede en zegeningen over hem) heeft gezegd: “Voorheen heb ik jullie verboden om graven te bezoeken. Toestemming is gegeven aan Muhammed om het graf van zijn moeder te bezoeken, dus bezoek ze (de graven) omdat ze (ons) herinneren aan de dood en het Hiernamaals.” 49 Graven bezoeken herinnert mensen aan de dood en het Leven na de doods. God (de Verhevene, de Geprezene) zegt in de Qur’an: “Jullie gaan op in de wedijver om meer, totdat jullie de graven bezoeken.” (Al-Takathur, 102:1-2).

Jullie voormalige leider, Abu Omar Al-Baghdadi heeft gezegd: “Volgens ons is het een plicht om alle tekenen van shirk (afgoderij) te vernielen en te verwijderen, en om alle middelen die daartoe aanleiding geven te verbieden, vanwege de overlevering van Muslim in zijn Sahih, op gezag van Abu Al-Hiyaj Al-Asadi, dat ‘Ali ibn Abi Talib (moge God tevreden over hem zijn) heeft gezegd: ‘Zal ik jullie vertellen wat hij (de Profeet, vrede en zegeningen over hem) me opdroeg te doen? Om geen enkel beeld over te laten zonder het te vernietigen en geen verheven graf zonder het met de grond gelijk te maken’.” Echter, zelfs als wat hij heeft gezegd waar is, slaat dit niet op de graven van Profeten en Gezellen, aangezien de Gezellen het eens waren over het begraven van de Profeet (vrede en zegeningen over hem) en zijn twee Gezellen, Abu Bakr en Omar, in een gebouw dat vlak naast de Moskee van de Profeet lag.

21/ Rebelleren tegen een leider. Het is verboden in opstand te komen tegen een leider die zich niet schuldig maakt aan uitgesproken en openlijk ongeloof (al-kufr al-bawwah): het ongeloof dat hij zelf openlijk toegeeft – en waarbij alle Muslims het erover eens dat zo iemand een niet-Muslim is – of doordat hij het verrichten van de gebeden verbiedt. Het bewijs hiervoor ligt in Gods woorden (de Verhevene, de Geprezene): “O jullie die geloven, gehoorzaam aan God en gehoorzaam de Boodschapper en diegenen onder jullie die met gezag zijn bekleed (…)” (Al-Nisa’, 4:59). De Profeet (vrede en zegeningen over hem) heeft ook gezegd: “Luister en gehoorzaam, zelfs als aan een Abessiniër met een hoofd als een rozijn gezag over jullie wordt gegeven.” 50 De Profeet (vrede en zegeningen over hem) heeft ook gezegd: “De beste van jullie heersers zijn zij van wie jullie houden en die van jullie houden, die Gods zegeningen over jullie afroepen en voor wie jullie Gods zegenen vragen. En de ergste van jullie heersers zijn zij aan wie jullie een hekel hebben en die een hekel hebben aan jullie, die jullie verwensen en zij verwensen jullie.” Er werd (door de aanwezigen) gevraagd: “Moeten we hem dan niet met het zwaard uit zijn macht ontheffen?” Hij zei: “Niet zolang ze met jullie het gebed verrichten. Wanneer jullie dan iets verwerpelijks bij hen vaststellen, dan moeten jullie hun regering haten, maar wees hen niet ongehoorzaam.” 51 Gaat het om een heerser die gewetenloos of corrupt is, dan moet die worden afgezet door degenen die gekwalificeerd zijn om een kalief te verkiezen of af te zetten in naam van de Ummah (het volk) (ahl al-hall wal-‘aqd) – indien mogelijk – zonder opruien (fitnah), gewapend verzet of bloedvergieten. Echter, er mag niet tegen hem in opstand worden gekomen. Het is verboden in opstand te komen tegen een leider, zelfs als hij de Shari’ah of een deel ervan niet toepast, omdat God (de Verhevene, de Geprezene) zegt: “(…) En wie niet oordeelt volgens wat God heeft geopenbaard, zij zijn de ongelovigen.” (Al-Ma’idah, 5:44) en: “(…) En wie niet oordeelt met wat God heeft neer gezonden, zij zijn het die de onrechtvaardigen zijn.” (Al-Ma’idah, 5:45) en: “(…) En wie niet oordeelt met wat God heeft neer gezonden, zij zijn degenen die zware zondaren zijn.” (Al-Ma’idah, 5:47) Er zijn dus drie niveau’s voor wie de Shari’ah niet toepast: ongeloof (kufr), onrechtvaardigheid (fusuq) en zondigheid (dhulm). Iedereen die volledig verhindert dat de Shari’ah wordt toegepast in een Muslimland is een ongelovige. Maar iemand die er een deel niet van toepast, of alleen de belangrijkste doelen ervan toepast, is hooguit een onrechtvaardige of een zondaar. Er zijn landen waar de toepassing van de Shari’ah beperkt is op het vlak van soevereiniteit waar de nationale veiligheid van afhangt, en dat is toegestaan. Samengevat zegt Ibn Abbas 52 dat wie de Shari’ah niet toepast een onrechtvaardige is, maar hij is geen ongelovige en het is verboden tegen hem in opstand te komen. Ibn Abbas (moge God tevreden zijn over hem) heeft gezegd dat heersen aan de hand van iets anders dan de geboden van God “ongeloof zonder ongeloof” is. Hij heeft ook gezegd: “Het is niet het ongeloof dat zij bedoelen, het is niet een vorm van ongeloof die iemand buiten de Islam plaatst.”

22/ Het Kalifaat: Er bestaat overeenstemming (ittifaq) onder de geleerden dat een kalifaat een plicht is voor de Ummah. Het ontbreekt de Ummah al sinds 1924 NC aan een kalifaat. Een nieuw kalifaat vereist echter de consensus van de Muslims en niet enkel die in een kleine uithoek van de wereld. Omar ibn Al-Khattab (moge God tevreden zijn over hem) heeft gezegd: “Al wie trouw zweert aan een man, zonder degelijk overleg met Muslims, heeft zichzelf bedot. En noch hij, noch de man aan wie hij trouw heeft gezworen mag worden nagevolgd, aangezien hij hun beider levens in gevaar heeft gebracht.” 53 Een kalifaat uitroepen zonder consensus is opruiing (fitnah), omdat het de meerderheid van de Muslims, die niet met dat kalifaat instemmen, buiten het kalifaat plaatst. Het zal ook aanleiding geven tot het ontstaan van heel wat rivaliserende kalifaten, wat onrust en onenigheid (fitnah) onder de Muslims zaait. Deze onenigheid is al begonnen toen de Sunni imaams van Mosul geen trouw aan u wilden zweren en u hen daarop vermoordde.

In uw toespraak citeerde u de Gezel Abu Bakr Al-Siddiq (moge God tevreden over hem zijn): “Ik heb gezag over jullie gekregen en ik ben niet de beste van jullie.” Dat schreeuwt om de vraag wie u dan wel dat gezag over de Ummah heeft gegeven? Was het uw groepering? In dat geval heeft een groep van niet meer dan een paar duizend in zijn eentje de heerser over anderhalf miljard Muslims aangeduid. Deze houding steunt op een verdorven circulaire logica die zegt: “Wij alleen zijn Muslims. Wij bepalen wie de kalief is. Wij hebben er een gekozen en wie onze kalief niet erkent is geen Muslim.” In dit geval is de kalief niets meer dan de leider van een bepaalde groep die meer dan 99% van de Muslims bestempelt als niet-Muslims. Anderzijds… Als u die anderhalf miljard mensen die zichzelf Muslim noemen als zodanig erkent, hoe kunt u hen dan niet consulteren (shura) in verband met uw zogenaamd kalifaat? U staat dus voor een van deze twee conclusies: Ofwel erkent u dat zij Muslims zijn en dat zij u niet als hun kalief hebben aangesteld. Dat betekent dat u dus niet de kalief bènt. Ofwel erkent u ze niet als Muslims en in dat geval is de groep Muslims zo klein dat ze geen kalief nodig hebben, dus waarom dan de term “kalief” gebruiken? Het kalifaat moet in werkelijkheid ontstaan uit een consensus onder Muslimlanden, organisaties van islamgeleerden en Muslims over de hele wereld.

23/ Nationale banden: In een van uw toespraken heeft u gezegd: “Syrië is niet voor Syriërs en Irak is niet voor de Irakezen.” 54 In diezelfde toespraak riep u de Muslims overal ter wereld op om te migreren naar landen die worden gecontroleerd door de “Islamitische Staat” in Irak en de Levant. Hierdoor neemt u de rechten en bronnen van die landen en u verdeelt ze onder mensen die in die landen vreemdelingen zijn, zelfs al behoren ze tot dezelfde godsdienst. Dat is exact hetzelfde wat Israël heeft gedaan, toen het joodse kolonisten uit het buitenland uitnodigde zich in Palestina te komen vestigen, de Palestijnen te verdrijven en zich hun voorouderlijke rechten en landen toe te eigenen. Waar is hier de rechtvaardigheid?

Simpel gezegd is patriotisme en liefde voor je land niet in tegenspraak met de leer van de Islam. In tegendeel, de liefde voor iemands land komt voort uit geloof omdat het zowel een instinctief gevoel als een Sunnah is. De Profeet (vrede en zegeningen over hem) heeft, doelend op Mekka, gezegd: “Wat ben je een mooi land en hoe dierbaar ben je voor mij. Had mijn volk mij niet gedwongen te vertrekken, dan zou ik nooit ergens anders hebben gewoond.” 55 Er staan veel bewijzen voor vaderlandsliefde en liefde voor iemands land in de Qur’an en de Sunnah. In de Qur’an zegt God (de Verhevene, de Geprezene): “En indien Wij hen voorgeschreven hadden: ‘Doodt elkaar’ of ‘Verlaat jullie huizen’, dan hadden slechts weinigen van hen dat gedaan (…)” (Al-Nisa’, 4:66) Commentaar hierop van Fakhr Al-Din Al-Razi: “Je land verlaten is evenwaardig aan elkaar te doden.” 56 En op gezag van Anas Ibn Malik (moge God tevreden zijn over hem) weten we over de Profeet (vrede en zegeningen over hem): “Wanneer hij van een reis terugkwam en de stadsmuren van Medina zag, spoorde hij zijn wijfjeskameel aan sneller te lopen. Reed hij te paard, dan spoorde hij het aan uit liefde (voor Medina).” 57 Ibn Hajar heeft gezegd: “Deze Hadith is een bewijs voor de waarde van Medina en voor de wettigheid van iemands liefde voor zijn land en van iemands heimwee.” 58

24/ Emigratie: Jullie hebben Muslims van overal ter wereld opgeroepen om te emigreren naar landen die door de “Islamitische Staat”, in Irak en de Levant 59, worden gecontroleerd. Abu Muslim Al-Canadi, een soldaat van de “Islamitische Staat”, heeft gezegd: “Kom ons vervoegen (in Syrië) voor de deuren zich sluiten. 60 Het volstaat de woorden van de Profeet Mohammed (vrede en zegeningen over hem) te herhalen, die heeft gezegd: “Er is geen emigratie na de Verovering (van Mekka), maar jihad en (zijn) intentie (blijven). En wanneer jullie tot de oorlog worden opgeroepen, marcheer dan.” 61

BESLUIT

Tot besluit: God heeft Zichzelf omschreven als “De Meest Barmhartige onder de barmhartigen”. Hij heeft de mensen geschapen vanuit Zijn genade. God (de Verhevene, de Geprezene) zegt in de Qur’an: “De Erbarmer. Hij heeft de Qur’an onderwezen. Hij heeft de mens geschapen.” (Al-Rahman, 55:1-3) En God (de Verhevene, de Geprezene) heeft de mens voor Zijn Barmhartigheid geschapen: “En als jouw Heer het had gewild, dan zou Hij de mensheid (als behorend tot) één godsdienst hebben gemaakt, maar zij bleven van mening verschillen, behalve wie jouw Heer begenadigd heeft. En daarom heeft Hij hen geschapen (…).” (Hud, 11:118-119) Taalkundig gezien slaat “daarom” op het meest nabije zelfstandige naamwoord, en dat is dus “genade” en niet “verschillen”. Dat is de opinie van Ibn Abbas, die heeft gezegd: “Hij heeft ze omwille van genade geschapen.” 62

De beste manier om genade te verwerven, is het vereren van God (de Verhevene, de Geprezene). God zegt: “En Ik heb de jinns en de mensen slechts geschapen om Mij te dienen.” (Al-Dhariyat, 51:56) Dat we God dienen en vereren is geen gunst van ons voor God (de Verhevene, de Geprezene), maar juist een voorziening van Hem voor ons: “Ik wens geen voorzieningen van hen en Ik wens niet dat zij Mij voeden. Voorwaar God is de Voorziener en de Bezitter van sterke kracht.” (A-Dhariyat, 51:57-58).

Bovendien:

God (de Verhevene, de Geprezene) heeft de Qur’an geopenbaard als een genade van Hem: “En Wij zenden (dat) van de Qur’an neer wat genezing en barmhartigheid voor de gelovigen is (…).” (Al-Isra’, 17:82) De Islam is genade en zijn eigenschappen zijn barmhartig. De Profeet (vrede en zegeningen over hem), die werd gezonden als een genade voor alle werelden, vatte de manier waarop Muslims met anderen omgaan als volgt samen: “Hij die niet genadig is, hem zal ook geen genade te beurt vallen.” 63 en “Wees barmhartig en er zal jou barmhartigheid worden betoond.” 64 Maar, zoals blijkt uit het bovenstaande, hebben jullie de Islam verkeerd verstaan, als een godsdienst die hard en brutaal is, die martelt en moordt. Zoals we het al hebben verduidelijkt, is dat een groot onrecht en een belediging van de Islam, van de Muslims en van de gehele wereld.

Denk nog eens na over al jullie daden, neem er afstand van, toon er berouw voor, houd op met anderen schade toe te brengen en keer terug naar de godsdienst van barmhartigheid. God (de Verhevene, de Geprezene) zegt in de Qur’an: “(…) O Mijn dienaren die buitensporig zijn tegenover zichzelf, wanhoop niet aan de genade van God. Voorwaar, God vergeeft alle zonden. Voorwaar, Hij is de meest Vergevende, de meest Barmhartige.” (Al-Zumar, 39:53)

 

En God weet het best.

24th Dhul-Qi’da 1435 NH / 19 September 2014 NC

 

De uitspraak van Ali bin Abi Talib
(moge God tevreden zijn over hem)

Nu’aym ibn Hammad verhaalt in Al-Fitan
dat de vierde Kalief,
Ali ibn Abi Talib heeft gezegd:

Wanneer jullie de zwarte vlaggen zien, blijf dan waar jullie zijn en roer handen noch voeten. Er zullen daarachter zwakke onbeduidende lui verschijnen. Hun harten zullen zijn als stukken ijzer. Ze zullen de staat in handen hebben. Ze zullen geen enkel verbond en geen enkele overeenkomst nakomen. Ze zullen oproepen tot de waarheid maar zullen zelf geen mensen van de waarheid zijn. Hun namen halen ze van hun ouders en hun aliassen zullen zijn afgeleid van steden. Hun haar zal wapperen als dat van vrouwen. Deze situatie zal voortduren tot ze het onderling oneens worden. Daarna zal God de Waarheid voortbrengen langs wie Hij wil.65

Mensen stellen zich de vraag of deze overlevering van Ali bin Abi Talib (moge God tevreden zijn over hem) – die meer dan 1200 jaar geleden werd doorgegeven door Al-Bukhari’s leraar (Nu’aym bin Hamad) in zijn boek Al-Fitan – verwijst naar de “Islamitische Staat”?

Is het mogelijk die overlevering als volgt te verstaan?

Wanneer je de zwarte vlaggen ziet”:
De vlaggen van de “Islamitische Staat” zijn zwart.

“Blijf waar jullie zijn”:
Met andere woorden “Muslims, blijf waar jullie zijn en voeg jullie niet bij hen!”

“En roer handen noch voeten”:
Met andere woorden, help hen niet financieel en ook niet met uitrusting.

“Er zullen daarachter zwakke, onbeduidende lui verschijnen”:
Waarbij “zwak” en “onbeduidend” slaat op hun inzicht in de godsdienst, moraal en religieuze praktijk.

“Hun harten zullen zijn als stukken ijzer”:
Betekent dat ze zonder mededogen hun krijgsgevangenen zullen vermoorden en op wreedaardige wijze mensen zullen martelen.

“Ze zullen de staat in handen hebben”:
Gedurende bijna een eeuw heeft niemand beweerd een Islamitisch Kalifaat te zijn, behalve de huidige “Islamitische Staat” in Irak en de Levant.

“Ze zullen geen enkel verbond en geen enkele overeenkomst nakomen”:
De “Islamitische Staat” is niet trouw gebleven aan zijn overeenkomst met de Sha’etat stam nadat die stam hen trouw had gezworen. De “Islamitische Staat” heeft hen juist met honderden tegelijk uitgemoord. Ze hebben ook journalisten vermoord.

“Ze zullen oproepen tot de waarheid”:
De “Islamitische Staat” roept op tot de Islam.

“Maar ze zullen zelf geen mensen van de waarheid zijn”:
De mensen van de waarheid zijn barmhartig. De Profeet Mohammed (vrede en zegeningen over hem) heeft gezegd: “Wees genadig en er zal je genade worden betoond.”

“Hun namen halen ze van hun ouders”:
Zoals “Abu Muthanna”, “Abu Muhammad”, “Abu Muslim” en zo voort.

“En hun aliassen zullen zijn afgeleid van steden”:
Zoals “Al-Baghdadi”, “al-Zarqawi”, “al-Tunisi” en zo voort.

“Hun haar zal wapperen als dat van vrouwen”:
Dat is exact hoe strijders van de “Islamitische Staat” hun haar dragen.

“Tot ze het onderling oneens worden”:
Zoals de meningsverschillen tussen de “Islamitische Staat” en de moederorganisatie, het al-Nusra Front (Al-Qaeda in Syrië). Alleen al de strijd tussen die twee heeft ongeveer tienduizend doden gekost in één jaar tijd.

“Daarna zal God de Waarheid voortbrengen door wie Hij wil”:
Aan de hand van een duidelijke en correcte Islamitische verklaring (zoals deze open brief).

De wijze Loeqman zegt in de Qur’an:

“O mijn zoon, ook al is er iets dat slechts
het gewicht van een mosterdzaadje heeft
dat zich in een kei bevindt
of in de hemelen of in de aarde,
God zal het tevoorschijn brengen.
Waarlijk, God is Zachtmoedig, Alwetend.”

(Luqman, 31:16)

 

 

REFERENTIES

  1. Overgeleverd door Muslim in Kitab al-Iman, nr 55.
  2. Gepubliceerd door SawarimMedia op YouTube op 3 april 2014.
  3. Ibn Taymiyyah zegt in Majmu’ Al-Fatawa (Vol. 28, p. 270): “De Profeet (vrede en zegeningen over hem) heeft gezegd: ‘Ik werd gezonden met het zwaard, als een teken van het Laatste Uur, opdat niemand wordt aanbeden tenzij God, alleen en zonder deelgelnoot. Mijn levensonderhoud staat in de schaduw van mijn speer. Kleinering en vernedering zullen zal hen overvallen die ongehoorzaam zijn aan mijn onderrichtingen. Iedereen die mensen imiteert behoort tot hen.’ Ahmad vertelt deze Hadith in zijn Musnad (Vol. 2, p.50) op gezag van Ibn Umar, en Bukhari citeert ze.” Deze Hadith heeft echter een zwakke overleveringsketen.
  4. Overgeleverd door Bukhari in Kitab al-Tawhid, nr 7422, en door Muslim in Kitab al-Tawbah, nr 2751.
  5. Ibn Taymiyyah zegt in Majmu’ Al-Fatawa (Vol. 13, p. 341), “Tautologie is zeldzaam in (de Arabische) taal en in de Qur’an is het zelf nog zeldzamer en onbestaand.” Al-Raghib Al-Asfahani zegt in Mufradat Al-Qur’an (p. 55), “Dit boek wordt gevolgd (…) door een boek dat het gebruik van synoniemen en hun subtiele onderlinge verschillen verduidelijkt. Door dat te doen, kan het unieke van elke uitdrukking worden onderscheiden door haar synoniemen.”
  6. Tafsir Al-Tabari (Vol. 9, p. 28).
  7. Overgeleverd door Al-Tirmidhi in Tafsir Al-Qur’an, nr 2950.
  8. Overgeleverd door Bukhari in Kitab al-Hudud, nr 6786, en door Muslim in Kitab al-Fada’il, nr 2327.
  9. Overgeleverd door Abu Dawood in Kitab Al-Adab, nr 4904.
  10. Overgeleverd door Al-Bukhari in Kitab al-Adab, nr 6030.
  11. Al-Ghazali, Al-Mustasfa fi Usul Al-Fiqh, (Vol. 1, p. 420).
  12. Ibn Qayyim Al-Jawziyyah, I’lam Al-Muqi’een ‘an Rabbil-‘Alamin, (Vol. 4, p. 157).
  13. De Profeet (vrede en zegeningen over hem) heeft de hypocrieten, die het niet met hem eens waren, niet vermoord en hij heeft ook niet toegestaan dat ze werden gedood. De Profeet (vrede en zegeningen over hem) heeft wel degelijk gezegd: “Opdat de mensen niet zouden zeggen dat Muhammad zijn gezellen heeft gedood.” Overgeleverd door Bukhari in Kitab Tafsir al-Qur’an, nr 4907, en door Muslim in Kitab al-Birr wal-Silah, nr 2584.
  14. Overgeleverd door Imam Ahmad in zijn Musnad, (Vol. 6, p. 306).
  15. Overgeleverd door Al-Bukhari in Kitab al-Jihad, nr 3004.
  16. Overgeleverd door Al-Bayhaqi in Kitab al-Zuhd, (Vol. 2, p. 165), en door Al-Khatib Al-Baghdadi in Tarikh Baghdad, (Vol. 3, p. 523).
  17. Overgeleverd door Imam Malik in Al-Muwatta’; Kitab al-Nida’ Lissalah, nr 490, eveneens overgeleverd door Al-Tirmidhi in Kitab al- Da’awat, en door Ibn Majah in Kitab al-Adab, nr 3790, en gecorrigeerd door Al-Hakim in Al-Mustadrak (Vol. 1, p. 673).
  18. Overgeleverd door Al-Bukhari in Kitab al-Tawhid, nr 7458, en door Muslim in Kitab al-Imarah, nr 1904.
  19. Overgeleverd door Muslim in Kitab Al-Imarah, nr 1905.
  20. Wahbi Al-Zuhayli’s Ahkam al-Harb fil-Islam.
  21. Overgeleverd door Al-Bukhari in Kitab al-Jihad, nr 2946.
  22. Overgeleverd door Bukhari in zijn Sahih, Kitab al-Jihad, nr 3053, en door Muslim in Kitab al-Wasiyyah, nr1637.
  23. Overgeleverd door Muslim in Kitab al-Jihad, nr 1731, en door Al-Tirmidhi in Kitab al-Diyyat, nr 1408.
  24. Overgeleverd door Ibn Abi Shayba in Al-Musannaf (Vol. 6, p. 498).
  25. De diakens waren gewapende, strijdende priesters (Kan het zijn dat dit in de NL tekst staat?)
  26. Overgeleverd door Al-Bayhaqi in Al-Sunan Al-Kubra, (Vol. 9, p. 90), en door Al-Marwazi in Musnad Abi Bakr, nr 21.
  27. Overgeleverd door Ibn Abdullah in Al-Isti’ab (Vol. 2, p. 812), en door Al-Qurtubi in zijn Tafsir (Vol. 19, p. 129): “Qatada heeft gezegd: ‘God heeft bevolen dat gevangenen goed worden behandeld’.” (Kan het zijn dat dit in de NL tekst staat?)
  28. Overgeleverd door Al-Bayhaqi in Al-Sunan Al-Kubra, (Vol. 9, p. 118); Zie Fayd Al-Qadeer Sharh al-Jami’ al-Sagheer, (Vol. 5, p. 171).
  29. Overgeleverd door Muslim in Kitab al-Jihad, nr 1745.
  30. Overgeleverd door Al-Bukhari in Kitab al-Maghazi, nr 4403, en door Muslim in Kitab al-Iman, nr 66.
  31. Overgeleverd door Al-Bukhari in Kitab al-Jihad, nr 2946.
  32. Zoals verhaald in Al-Hafiz Al-Haythami’s Majma’ Al-Zawa’id, (Vol. 1, p. 106).
  33. Overgeleverd door Al-Bukhari in Kitab al-Adab, nr 6104.
  34. Overgeleverd door Ibn Habban in his Sahih, (Vol. 1, p. 282).
  35. Overgeleverd door Muslim in Kitab al-Iman, nr 96. Een andere overlevering zegt: “‘Heb je hem gedood nadat hij zei: Er is geen god behalve God?’ Ik zei: ‘Hij probeerde zich te redden’. (De Profeet) bleef zijn woorden herhalen (…)” Overgeleverd door Al- Bukhari in Kitab al-Maghazi, nr 4369.
  36. YouTube video, http://www.youtube.com/watch?v=9yrVPE_-f9I, juni, 2014.
  37. Overgeleverd door Al-Bukhari in Kitab Bad’ al-Wahy, nr 1; eveneens overgeleverd door Muslim in Kitab al-Imarah, nr 1907.
  38. Al-Dhahabi’s Siyar A’lam Al-Nubala’, (Vol. 11, p. 393).
  39. Overgeleverd door Ibn Majah, Kitab al-Zuhd, nr 4204.
  40. Overgeleverd door Muslim in Kitab Sifat al-Qiyamah wal-Jannah wal-Nar, nr 2812.
  41. Al-Tabari zegt in zijn Tafsir (Vol. 6, p. 157): “In de woorden van God (de Verhevene, de Geprezene): ‘Bestrijd hen die niet geloven in God noch in de Laatste Dag (…)’ schuilt geen ontkenning van het belang van vergiffenis en amnestie (…) Als ze ermee instemmen om te worden onderworpen en de jiziyah te betalen na de strijd, dan is het toegestaan om de opdracht te geven dat hen vergiffenis wordt geschonken voor hun intentie om verraad te plegen of voor het feit dat ze van plan waren hun eden te verbreken, zolang ze geen oorlog voeren zonder de jiziyah te betalen of weigeren de wetten na te leven die op hen van toepassing zijn.”
  42. Juristen hebben toegestaan dat de jiziyah wordt opgeheven wanneer sommigen onder hen toetreden tot het moslimleger, zoals dat gebeurde ten tijde van Omar bin Al-Khattab.
  43. Overgeleverd door Al-Imam Malik in al-Muwatta’, in Kitab al-Zakat, nr 617, en door Al-Shafi’i in his Musnad, nr 1008.
  44. Al-Qurtubi’s Tafsir, (Vol. 8, p. 110).
  45. Zie Ibn Kathir’s Al-Bidayah wal-Nihayah (Vol. 5, p. 284) waarin hij zegt: “De Profeet (vrede en zegeningen over hem) heeft mannelijke en vrouwelijke slaven bevrijd (…) en na de dood van de Profeet (vrede en zegeningen over hem) liet hij absoluut geen slaven achter in zijn erfenis.”
  46. Ma’rifat as-Sunan wa Al-Athar, Bayhaqi (Vol. 11, p. 135); As-Sunan Al-Kubra, Bayhaqi (Vol. 6, p. 596); Sirah Ibn Hisham (Vol. 1, p. 266).
  47. Overgeleverd door Ibn Majah, nr 224, en door Al-Tabarani in al-Mu’jam al-Kabir (10/195).
  48. Overgeleverd door Al-Bukhari in Kitab al-Nikah, nr 5186; en door Muslim in Kitab al-Rida’, nr 1468.
  49. Overgeleverd door Muslim in zijn Sahih, nr 977, en door Al-Tirmidhi, nr 1054 en door anderen.
  50. Overgeleverd door Al-Bukhari in Ktab al-Adhan, nr 693.
  51. Overgeleverd door Muslim in Kitab al-Imarah, nr 1855.
  52. Overgeleverd door Al-Hakim in Al-Mustadrak ‘ala as-Sahihayn, (Vol. 2, p. 342).
  53. Overgeleverd door Al-Bukhari in Kitab al-Hudud, nr 6830.
  54. BBC news online, 1 juli 2014.
  55. Overgeleverd door Al-Tirmidhi in Kitab al-Manaqib, nr 3926; en in Sahih Ibn Hibban (Vol. 9, p. 23).
  56. Mafatih Al-Ghayb, Al-Razi (Vol. 15, p. 515) in de exegese van Al-Anfal, 8:75.
  57. Overgeleverd door Al-Bukhari in Kitab al-Hajj, nr 1886.
  58. Fath Al-Bari, Ibn Hajar (Vol. 3, p. 621).
  59. BBC news online, on 1 juli 2014.
  60. Hij trad op in een recruteringsvideo, geproduceerd door Hayat Media Center, augustus, 2014.
  61. Overgeleverd door Al-Bukhari in Kitab al-Jihad, nr 2783.
  62. Zie Mafatih Al-Ghayb, Al-Razi (Vol. 18, p. 412).
  63. Overgeleverd door Bukhari in Kitab al-Adab, nr 5997, en door Musim in Kitab al-Fada’il, nr 2318.
  64. Overgeleverd door Ahmad in his Musnad (Vol. 2, p. 160).

Lijst van de eerste ondertekenaars + mogelijkheid om zelf ook te tekenen

(met je Facebook account) via deze link: http://lettertobaghdadi.com/index.php

Advertisements

4 Comments

Reacties zijn gesloten.